Na een paar minuten naar de dode Sylicanen en Astranen te hebben staan kijken, besloot Cerice verder te gaan, verder het bos in. Ze kende de bossen niet en kon dus alle tijd die ze kreeg gebruiken om weg te komen bij de aanvallen van de Sylicanen.
      "Hou je aan het kompas," mompelde ze tegen zichzelf. Ze pakte de magnetische navigator en zocht het noorden op. Emperya, het dichtstbijzijnde geallieerde gebied, lag ten zuidoosten van Astra. Het zuidoosten was waar ze moest zijn.
      Iedere paar meter stond Cerice even stil, luisterend naar eventuele geluiden die de komst van andere vijanden aan zouden kondigen. De dag leek snel voorbij te gaan. De regen was gestopt, maar er hingen nog steeds onheilspellend grijze wolken boven het land. Ondanks dat ze een dicht bladerdak boven haar hoofd had, was Cerice doorweekt. De grond onder haar voeten was modderig en haar laarzen waren bruin van de opspattende drab. Waar ze was wist ze niet, ook al kende ze kaart van Astra uit haar hoofd, dit bos was nooit in kaart gebracht. Niemand had ooit gedurfd door het bos naar Emperya te reizen, omdat de bergpas minder gevaarlijk was. Geen bloeddorstige beesten, verdwaalde Astranen en Emperyanen die al het menselijke hadden verloren of, zoals nu, vijanden. Het woudgebied was nooit doorzocht, er was geen enkel pad dat begaanbaar was voor iets groters dan één individu. Het maakte voor Cerice niet echt uit. Ze was alleen, ze had eten, drinken en een kompas. Een vuurtje maken kon ze, jagen was een fluitje van een cent en ze had haar mantel, die net warm genoeg was om de nachten in het bos te doorstaan.
      Toch bleek dat Cerice moeite had met het vinden van het andere koninkrijk. Ze hield haar kompas continu in de gaten, maar bleef denken dat ze rondjes liep. Iedere boom, ieder bosje, ieder stuk gras zag er hetzelfde uit en het putte haar uit. Hijgend zakte ze tegen een boom aan op de grond. De tas met eten lag naast haar op de grond, nog bijna vol. Ze besloot dat ze wat water moest drinken en een stukje brood moest eten om toch weer verder te kunnen, al had ze pijn in haar benen van het lopen. De paar slokjes water waren helaas niet genoeg om de dorst van Cerice te lessen en haar maag bleef rammelen. Ondanks de strenge training van haar broers, waarbij ze vaak een week rantsoenen kreeg, had ze nu niet de discipline om te stoppen met drinken. Water was belangrijk, dat wist ze. Ze nam nog een paar slokken zodat het droge gevoel uit haar mond verdween en ze de hoofdpijn voelde minderen. Van het eten bleef ze af, ze wist niet hoeveel dieren zich in het bos zouden bevinden en durfde het niet aan om zonder eten haar tocht te moeten volbrengen.
      Het moment rust was niet genoeg voor Cerice om weer verder te wandelen. Ze besloot de nacht bij de boom te doorbrengen en te slapen. Een vuurtje maken om warm te blijven was onmogelijk, alle takjes en blaadjes waren vochtig door de regen, dus een natte mantel was alles dat ze had. Ze vond het goed genoeg. Cerice kon de slaap toch niet vatten. De woorden van haar broer bleven door haar hoofd echoën. "Als je Axel en Roden ooit nog ziet, vertel hen dat ik altijd van ze heb gehouden, ondanks dat ik dat nooit heb gezegd. Ik hou van je, Cerice.". Zijn laatste woorden waren een uiting van liefde geweest. Ibis had zijn laatste woorden verspild aan haar, zijn enige zus.
      "Ik had hem kunnen redden," fluisterde Cerice met tranen in haar ogen. "Als ik maar sterker was geweest. Als ik maar een officiële training had gehad en ook mee had moeten vechten." Ze veegde snel de tranen uit haar ogen. Ondanks dat haar broer was gestorven deed het idee aan het niet wederzien van haar andere broers nog meer pijn. Ibis had immers het woord 'ooit' gebruikt in zijn laatste bede. Hem was ze kwijt, voorgoed, maar Axel en Roden leefden misschien nog. Hen kon ze nog terugvinden, maar ze was weggerend van haar geboorteplaats, van haar familie, om haar eigen leven te redden, omdat Ibis hierom had gevraagd. Die smekende blik in zijn ogen stond op haar netvlies gebrand. Cerice trok bij de gedachte aan het beeld haar mantel strakker om haar heen. Langzaam zakte ze weg in een ondiepe slaap.

      Het gestamp van een peloton wekte haar. Zonder ook maar te bewegen luisterde ze aandachtig naar het geluid. De soldaten waren niet ver weg, maar ze had nog tijd om weg te rennen. Cerice pakte de voorraadtas snel terug in, sloeg haar mantel om haar heen en rende weg. Terug naar waar ze gisteren vandaan gekomen was. Pas toen ze gestopt was viel op dat het weer licht geworden was. Ze kon de opgedroogde modder op haar laarzen duidelijk zien en de paadjes waren een beetje verlicht door de zon. Echt genieten was niet mogelijk, want het peloton was weer te horen. Behendig klom Cerice in een van de bomen. Turend door een mat van groen zag ze een patrouille onder haar door marcheren. De Sylicanen, gekleed in hun zwarte uniformen, waren waarschijnlijk op zoek naar gevluchte Astranen besefte Cerice. Ze hield haar adem in en wachtte tot ze hun voetstappen alleen nog als een dof geluid hoorde voordat ze weer uitademde. Voorzichtig begaf Cerice zich naar de grond.
      De aarde onder haar voeten voelde goed aan na de plotselinge vlucht. Opnieuw zocht ze haar kompas op en vertrok ze in zuidoostelijke richting. Emperya kon niet heel ver weg meer zijn dacht ze. Het was haar motivatie om door te zetten. De gedachte aan een nieuw koninkrijk, een nieuw leven. Misschien zelfs een beter leven dan ze hiervoor had gehad. Haar grootste wens was toch haar broers terugvinden en hen de boodschap van Ibis vertellen. Als dit ooit zou kunnen.


Reacties (1)

  • Pralines

    Ammmgg. Ga verder )':
    Ik snap niet dat je nog geen reacties hebt o:
    Op naar de nieuwe kansen, op naar het nieuwe koninkrijk, op naar... we shall see... and so it begins...

    Goed geschreven!

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen