Inmiddels waren er twee nachten verstreken nadat Cerice zich had verstopt voor de patrouille van de Sylicanen. Ze had nog een aantal keren voetstappen of geschreeuw gehoord - waarschijnlijk hadden ze een paar Astranen gevonden. Ze was echter gewoon in zuidoostelijke richting blijven lopen, alles om haar heen negerend. De vermoeidheid begon een beetje op haar in te werken en Cerice liep af en toe wat langzamer. Ze had weinig geslapen, de angst om gepakt te worden door een Sylicaanse soldaat was continu aanwezig. Haar veldfles met water was bijna leeg. Als ze niet snel een beekje of een meertje zou vinden, zou ze binnen een dag zonder water zitten.
      Slenterend zocht Cerice naar een waterbron zodat ze haar hoofdpijn weer kon verdrijven. Na de regen op de dag van de aanval was het zonnig en warm geweest. De lucht was grijs en grauw, maar de zon bleef schijnen en door de constante activiteit van Cerice droogde ze snel uit. Het zweet droop van haar voorhoofd af en ze vroeg zich af hoe lang ze nog zo door kon blijven gaan. De posities van de bomen leken allemaal op elkaar, alsof ze niet verder liep maar steeds in rondjes bleef lopen. Toch vertelde haar kompas haar dat ze in de goede richting liep. Helaas kon het kompas haar niet op de hoogte stellen van plekken van waterbronnen, maar ondanks het tekort aan water moest ze door blijven lopen. Haar gedachten waren gefocust op vooruit blijven gaan, verplaatsen, dichter bij haar doel komen. Hopend op regen keek Cerice naar de lucht, maar de grijze wolken waren nog niet open gebarsten en ze twijfelde of het eigenlijk wel zou gaan regenen. Neerslag was goed genoeg als drinkwater vond ze.
      De regen bleef echter weg. De uren tikten langzaam weg, de zon stond alweer bijna op het punt om onder te gaan en Cerice wist nog steeds niet waar ze was. Ze rook haar eigen zweet en smeekte de hemel om regen. Na tien minuten onafgebroken smeken om neerslag, om verkoelend water, zag ze een schittering achter een paar bomen. Was het water? Ze versnelde haar pas en zag een klein meertje liggen. Het water werd aangevoerd vanuit een klein beekje dat door het bos stroomde. Door de helderheid van het meer kon ze de bodem zien. Toen ze naar links keek zag Cerice een aantal stenen in een halve cirkel, half in het water, half op de kant, alsof er eerder iemand was geweest die hier een kamp had opgezet. Ze blikte even de andere kanten op en besloot toen een bad te nemen in het meer. Cerice ontdeed zich van haar kleding en stapte in het koude water. Snel waste ze de opgedroogde modder van haar lichaam voordat ze van het water dronk om haar dorst eindelijk te lessen. Ze had zich tussen de stenen verstopt, haar kleren lagen ook veilig weggestoken en ze vond dat het tijd was voor een goede nachtrust. Ze had nu de kans, de rotsen zouden haar beschermen. Met pijn in haar spieren kwam ze uit het water en gebruikte haar mantel als handdoek. Nadat Cerice haar kleding weer aan had, zocht ze naar een comfortabele positie om in te slapen.

In een donkere kamer stonden negen mannen om een ronde tafel met een getekende kaart hierop. Ze waren druk in overleg met elkaar. Eén man sprak echter helemaal niet. Zijn zwarte irissen volgden de vingers van zijn kameraden op de kaart.
      "Norag, waarom zo stil?" vroeg een man met gouden ogen. De man met zwarte ogen haalde zijn schouders op.
      "Taro, jullie verdelen het land, ik neem het overgebleven deel wel. Zoals altijd," bromde Norag. Hij keek verder naar de kaart, gefixeerd op een stuk met bergen. Uit het niets sloeg hij op de kaart. "Ik wil dit stuk land hebben."
      "Norag, jij zegt nooit iets! Hou gewoon je mond en laat je oudere broers dit uitzoeken voor je," lachte een man met groene irissen. "We zorgen wel dat je een mooi stuk land krijgt om over te regeren."
      "Aldorin, ik wil dit stuk land. Jullie mogen de rest verdelen. Ik wil alleen dit stuk. Het is vrijwel onvruchtbaar, gevaarlijk en onleefbaar. Ik wil dit stuk land," gromde Norag. "Ik vraag nooit om iets. Dit is alles waar ik om vraag."
      "Aldorin, hij heeft gelijk. Geef ons broertje ook eens zijn zin," glimlachte iemand met rode ogen.
      "Ceraro, hij heeft nog nooit iets ingebracht. Waarom zouden we hem nu zijn zin geven? Hij is het jongst. Hij is nog niet capabel om te kiezen over welk stuk land hij gaat regeren," bromde Aldorin terug.
      "Aldorin." Ceraro legde een hand op de schouder van zijn broer. "Hij moet het toch ook leren? We kunnen hem niet alles voor blijven schotelen. Laat hem zijn stuk kiezen. Als hij dit land wil, laat hem het hebben. Hij is net zo capabel als wij zijn, hij is immers ons broertje."
      "Oké. Hij krijgt zijn zin. Dit stuk land is voor jou, Norag." Aldorin omcirkelde een stuk land halverwege de kaart.


Cerice werd uit haar droom gerukt door een stekende pijn in haar borst. Toen ze keek waar de pijn vandaan kwam, keek ze recht in de ogen van een groot beest. Het was een gevaarlijk dier dat liep op vier poten, met scherpe klauwen en een muil vol vlijmscherpe tanden. Eén van de nagels van het beest stak in haar borst en ze gaf het ding een klap tegen zijn kop. Met een plons belandde het in het meer, wat haar tijd gaf om weg te rennen. Haar bijna lege tas, nu weer met een volle veldfles, hing ze om haar nek en ze rende weg. Ze hoorde het beest achter haar aan galopperen. Een snelle blik op haar kompas gaf haar motivatie. Ze vluchtte dit keer in de goede richting. De vermoeidheid van de afgelopen dagen kreeg haar echter snel te pakken en ze wist dat ze snelheid verloor. Ze dook weg achter een boom, maar het beest had haar door. Ze moest de confrontatie aan gaan.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen