Foto bij Hoofdstuk 84; Ira.

Vermoeid wreef Ira over haar slapen. Het was het begin van een lange, vermoeiende dag. De dagen op Olympus leken altijd langer. Misschien was dat het geval, misschien kwam het omdat ze langer zonder slaap gingen.
Ze zaten aan het ontbijt. Zeus zat aan het enne hoofd, Ira had zelf plaats genomen aan het andere einde. Je zou denken dat Hera daar normaal zou zitten, maar die zat altijd aan Zeus’ zijde. Dan zou het logisch zijn als Poseidon er zou hebben gezeten, maar ook die had geen plek gevonden aan het hoofd.
Iedereen staarde haar ook aan alsof ze een indringer was. Ze hoorde er niet te zitten in hun ogen en dat maakte ze duidelijk. Zeus, die recht tegenover haar zat, keek nog het meest woest van allemaal. Het kon Ira niets schelen. De lege stoelen aan de tafel waren niet bestemd voor haar en dus had ze haar eigen plek gecreëerd. In haar ogen verdiende ze de plek aan het hoofd. Pan zou er hebben mogen zitten, dat wist Ira zeker.
Ze negeerde de starende blikken en pakte een stuk ambrozijn. Het moment dat haar vinger het aanraakte, kreeg ze een schok die door haar hele lichaam trok.
Ze keek woedend op naar Zeus, voor ze het stuk alsnog op pakte. Haar huid stoomde. Natuurlijk stoomde ze, ze had net miljoenen volt door haar lichaam gekregen. Ze deed het stukje ambrozijn in haar mond en pakte toen kalm haar glas. Ze nam een slok. In al die tijd haalde ze haar ogen geen moment van Zeus af. In al die tijd haalde alle anderen hun ogen geen moment van haar af. Het leek alsof ze allemaal in spanning afwachtte wat er ging gebeuren. Ze waren zo in de ban van het event, dat ze niet eens merkte dat ze een vaste gedaante hadden aangenomen. Ze waren al bijna twintig minuten niet van gedaante veranderd.
Ira stak het glas in de lucht, alsof ze een toost naar Zeus uitbracht en zette toen, met een geforceerde glimlach, het glas op de tafel terug.
Ze zag Zeus’ kaakspieren aanspannen en voelde nog een schok door haar lichaam gaan. Ze sloeg woedend haar vuisten op de tafel.
‘Als je een probleem hebt met me, laten we dan stoppen met de spelletjes en zeg het in mijn gezicht!’
Het was zo stil dat Ira kon zweren dat iedereen hun adem inhield.
Ze keek Zeus net zo woedend aan als hij haar aankeek. Hij stond langzaam op.
‘Wie denk je dat je bent om een plek aan het hoofd van de tafel aan te nemen.’ Zijn stem was kalm, maar kil en woedend.
‘Je weet wie ik ben,’ siste Ira. ‘Je weet waarom ik een plek aan het hoofd verdien. Als je me er niet wilt hebben: Pech.’
Ze zag de woede in Zeus’ ogen.
Ira voelde een nieuwe elektrische schok door haar lichaam trekken.
‘Dat is het!’ gilde Ira woedend. Ze duwde de tafel voor haar met zo’n kracht naar voor, dat Zeus dubbel sloeg. Ira voelde haar slapen kloppen. Ze voelde hoe de woede haar in beslag nam en had Zeus aan zijn stoel gebonden met dikke planten voor ze zich besefte wat ze deed.
‘Jij egoïstische, zelf geabsorbeerde man!’ snauwde ze hem toe. ‘Waag het nog eens om me met de bliksem te raken en ik zweer je-‘
Een hand op haar schouder deed haar schrikken. Ze keek direct in de bezorgde ogen van Hephaistos. Zijn hand brandde warm, maar niet pijnlijk.
Enkel met zijn ogen, wist hij Ira te kalmeren. Ze haalde diep adem en sloot haar ogen een moment. Daarna gaf ze Hephaistos een knik en zakte terug in haar stoel. Hephaistos nam ook plaats.
Ira liet de planten van Zeus af zakken en pakte haar glas weer. Ze negeerde alle blikken en nam een slok.
Hij had gelijk. Hephaistos had gelijk. Ze moest kalm blijven. Ze moest zich beheersen. Hoe afschuwelijk en moeilijk haar familie ook was. Het bleef –helaas- haar familie.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen