Mijn longen vulden zich met zuurstof. Ik was wakker maar mijn ogen besloten om nog even te staken. 'Papa?' Mijn stem klonk schor. 'Sht. rust.' Hoewel de stem zacht en vriendelijk klonk, kon ik er niet naar luisteren. Het was een stem die ik niet eerder gehoord had. Buiten dat was er nog iets wat mijn aandacht eiste. Een zachte toon van piano noten drongen mijn trommelvlies binnen. Waar in hemelsnaam was ik? Uiteindelijk kreeg ik het voor elkaar om mijn oogleden enkele millimeters van elkaar te verwijderen. Versuft deed ik een poging om mijn omgeving te verkennen maar niets liet een belletje rinkelen. ik draaide mijn hoofd enkele graden naar rechts en constateerde aan de hand van de voorbij flitsende bomen dat ik in een auto zat. Mijn lichaam was verdoofd. Het kostte me enorm veel moeite om mijn hoofd enigszins te bewegen. 'Waar ben ik?' Mijn keel was droog. 'In de auto. Geen zorgen ik breng je ik veiligheid.' Voorzichtig tuurde ik onder mijn wimpers door richting de stem. Een jongeman rond de drieëntwintig jaar zat achter het stuur. Ongeveer mijn leeftijd. Zijn egaal gezicht was adembenemend mooi maar op de een of andere manier ook ontzettend schrikkend. Zijn gezichtsuitdrukking stond strak, gekweld. Mama had me al vroeg geleerd dat staren onbeleefd was en toch leek het me niet te lukken om weg te kijken, niet wetend of dit kwam door de verdoving of het feit dat hij gewoon té mooi was. Zijn bronskleurige, borstelige haren zaten in een wirwar door elkaar. Zijn kaaklijn was strak en afgeslepen. Godverdomme! waarom kon ik me niet bewegen? 'Ik, ik kan nie...' 'Sorry daarvoor ik heb je wat morfine toegediend. Je bent er erg aan toe. De belangrijkste zorgen zijn gegeven. Naar het ziekenhuis kan je niet. Toch niet na wat je gezien hebt.' Na wat ik gezien heb? Wat bedoelde hij daar mee? Ik verplichte mezelf om bij de zaak te blijven, om vragen te stellen, om te weten te komen wat hier aan de hand was maar de verdoving nam de overhand. Langzaam zakte ik weg in een leegte waar enkel ruimte was voor de klassieke muziek die op de achtergrond speelde.

'hé, open je ogen.' Daar was mijn bewustzijn weer maar voor hoe lang deze keer? 'Wakker worden.' De fluwelen stem echode door mijn hoofd. Een kreun verliet mijn mond en mijn ogen knepen even samen waarna ik ze voorzichtig open deed. Twee helder blauwe ogen staarde me aan. Ze waren precies geverfd met aquarel, zo helder met verschillende tinten blauw. Mijn hart sloeg een tel over. enigszins werd ik herinnerd aan de ogen die ik lief had. De ogen met de blauwe kleur zo helder als de zee op een tropisch eiland die me keer op keer lieten verdrinken. Verdwaasd schudde ik de gedachte van mij af. ongeveer acht maanden geleden had ik mijn vriendje verloren. Omgekomen tijdens een schietpartij. Hij bevond zich op de verkeerde plek op het verkeerde moment.' hadden ze gezegd. Natuurlijk dat Liam er niets mee te maken had. Gewoon een divergerende kogel die zijn leven radicaal eindigde. Later stelde ik me de vraag hoe het kon dat ik hier zo kalm onder gebleven was. Tot op vandaag stak ik de schuld op het feit dat mijn hoofd een klap gekregen had en dat ik in de war was van het ongeluk. Dit was inderdaad niet gelogen maar nooit heb ik durven inzien dat hij hier ook een rol in meespeelde. 'gaat het met je?' Zijn klank was kil. Het was heel duidelijk dat de vriendelijke gelaatsuitdrukking die hij naar voor probeerde te brengen gemaakt was. Langzaam maar zeker knikte ik. 'Water.' Een arm schoof onder mijn rechter schouder in en kwam aan mijn linker rib uit. De sterke arm trok me recht en de zachte ondergrond verdween. Plots besefte ik dat ik in een bed gelegen had. 'Waar zijn we?' Wilde ik weten. Zijn hoofd schudde afkeurend. Verdomme, kon hij niet gewoon antwoord geven? Als kind dacht ik altijd dat het leven heel simpel in elkaar stak. Je wordt geboren, je gaat naar school, behaald je diploma, zoekt werk, en stapt in de voetsporen van je ouders. Huisje, boompje, beestje en je geeft het door aan jouw kinderen. Mijn vader beweerde rap het tegendeel. Hij had geen diploma, noch werk, noch een goed voorbeeld om aan mij mee te geven. een golf van verdriet overspoelde me. Waar was mijn vader? Hoewel wij alles behalve een typische vader- dochtersrelatie hadden en ik hem ontzettend hard haatte, liet het feit dat hij er misschien niet meer was een enorme verschrikking achter. Ik wilde huilen, wegrennen, schreeuwen naar de man dat hij met zijn grijpstuivers van mijn lijf moest blijven maar mijn lichaam kwam langzaam op gang. Zoals een auto 's ochtends na een nachtje in de stevige vrieskou gestaan te hebben. We verlieten de donkere kamer en scande mijn omgeving. 'Waar is mijn vader?' besloot ik uiteindelijk te vragen terwijl ik mijn ogen door de lange hal van zeker tweehonderdvijftig meter liet glijden. Twee reusachtige ramen, waarvan eentje links en eentje rechts vervingen de betonnen muren. Het licht zorgde voor een intense steek trok door mijn hoofd en ik kneep mijn ogen samen om me te beschermen van de heldere stralen. Stiekem hoopt ik buiten iets te herkennen, ergens waar ik heen kon moest ik vluchten maar ik werd omsingeld door een reusachtig bos.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen