Foto bij Hoofdstuk 4

Ik word ruw het gras in gegooid, en ik adem in alsof ik in geen jaren zuurstof in mijn longen heb gehad. Mijn ogen vallen weer dicht, en ik voel een bonkende pijn in mijn hoofd. Dat was de vorige keer niet zo. Ik moet verkeerd geland zijn.

Ik kreun en sta langzaam op, mijn ogen nog steeds gesloten. Als ik mijn ogen weer open, zie ik een enorm tentenkamp. Ik ben in het gras voor de grootste tent van allemaal geland, één zo indrukwekkend dat ik het niet eens meer zo durf te noemen. Uit de opening komt een man naar me toe, en heel even slaat mijn hart over.

Blonde krullen, als de manen van een leeuw. Lichte ogen, en een prachtige wapenuitrusting. Dit moet hem zijn. Alexander de Grote.

Precies zoals hij beschreven werd in mijn boeken

Wat nu? Ik was nooit van plan werkelijk met hem te praten. Hoe spreek je een man als hem aan?

Hij wordt op de voet gevolgd door een man met donker haar, en een wapenuitrusting die van net zo’n waarde moet zijn als die van Alexander. Hij is langer, en ineens herinner ik me een stuk dat Ben me voorlas. Dit moet Hephaestion zijn.

‘Is alles goed?’ vraagt de blonde man.
Ik knik woordeloos en val dan op mijn knieën. Wat moet ik anders doen? Mijn hart bonkt wild, en ik wil meteen naar mijn telefoon grijpen en verdwijnen. Ik doe het niet.
‘Alexander de Grote,’ mompel ik. ‘Ik ben vereerd.’

Hij kijkt naar me, meer verbaasd dan voldaan. Ik durf hem niet aan te kijken.
‘Sta op.’
Het is niet eens een bevel, meer een suggestie. Als ik opkijk, zie ik dat hij zijn hand heeft aangeboden. Ik twijfel even, maar pak het dan toch aan. Het voelt verrassend zacht.
‘Je bent niet van hier, hè?’ vraagt Alexander. Nee, het is geen vraag. Het is een constatering. Ik kan alleen maar knikken. Gelukkig begrijpt hij dat gebaar.
‘Waar kom je vandaan? India?’
Ik vraag me heel even af of hij weet van de tijdreizigers. Weet hij de waarheid over Mayla? Heeft ze hem ooit verteld dat ze een tijdreiziger is? Beter om het niet te riskeren.
‘Ja. India.’
Het is een begrijpelijke aanname. Mijn vader was Indiaas, en volgens mijn moeder lijk ik sprekend op hem. Het is de perfecte suggestie.
‘Ik ben een bewonderaar,’ zeg ik. Het is nauwelijks een leugen.

Hij glimlacht. ‘Dat hoor ik graag. Er is onvrede sinds mijn terugtocht uit India, maar een bewonderaar uit diezelfde plek… Dat geeft me hoop. Zeus is me gunstig gezind.’
‘Dank u,’ stamel ik.
‘Ik nodig je graag uit als gast in mijn tent. We zijn terug op weg naar Alexandrië. Ik neem aan dat je een lange reis hebt gehad?’
‘J-ja.’ Mayla had hem dan beschreven als vriendelijk, maar dit had ik allerminst verwacht.

Ik volg hem sprakeloos naar de prachtige tent. Binnen wordt het zonlicht gedempt, maar het is nog helder genoeg om te kunnen zien. Er staat één groot bed, een tafel, die ongetwijfeld wordt gebruikt voor oorlogsbesprekingen. Verder staan er verschillende stoelen. Alexander wijst me met een gebaar naar de meest rechtse stoel.

Het is vreemd gevormd. De leuning voor mijn rug is veel verder naar achteren dan ik gewend ben, waardoor ik min of meer gedwongen wordt half te gaan liggen. Alexander en de man waarvan ik vermoed dat het Hephaestion is gaan zelf op een soort rijkelijk versierde kruk zitten. Het is grappig hoe ik zelfs aan de stoelen moet wennen hier. Ik hoop maar dat ik het goed doe.

Alexander en Hephaestion kijken elkaar even geamuseerd aan. Ik doe het dus fout.

‘Goed dan, geëerde Indiase gast, wat is jouw naam?’ vraagt Alexander.
Ik ben niet Indiaas, denk ik, ik ben Nederlands, volgens mijn paspoort. Maar dat ga ik hem niet aan zijn neus hangen.
‘Alex.’
Had ik daar nog een titel achter moeten zetten? Had ik een schuilnaam moeten verzinnen? Het is nu te laat voor al dat.
‘Alex?’
‘Het is een afkorting van Alexander.’
Voor heel even is Alexander stil, en ik voel mijn hart in mijn keel kloppen. Dan barst hij in lachen uit.
‘Is dit werkelijk je geboortenaam? Of is je bewondering voor mij zo groot?’
Ik slik even en overweeg tegen hem te liegen. Maar wat zou dat me opleveren?
‘Het is mijn geboortenaam.’

Nu begint Hephaestion voorzichtig te lachen, en dan begint ook Alexander weer.
‘Mijn naam is Hephaestion,’ zegt de man met het donkere haar. Daarmee bevestigt hij mijn vermoedens.

Even kijkt Alexander Hephaestion aan, en dan zegt hij de woorden:
‘Hij is ook Alexander.’
Hephaestions ogen worden groot, en dan proest hij het uit van het lachen. De twee komen al snel niet meer bij, en ik staar in verbazing naar ze: twee mannen in volledige Griekse wapenuitrusting, in hun late twintiger jaren misschien, één van de grootste veldheren alle tijden en zijn beste vriend, hebben de slappe lach.

‘Kom op, Alexander,’ zegt Hephaestion. ‘In elk geval had hij het wel goed.’
Ik staar nog steeds naar ze, en herinner me net op tijd mijn mond te sluiten. Waar hebben ze het in godsnaam over?
‘Bij de goden, Alexander,’ zegt Hephaestion. ‘De jongen heeft geen idee waar we het over hebben.’
‘Hoe onbeleefd van me.’
Het is zo vreemd. Zo bizar. Toen ik de Beatles live zag, was er al iets in me dat zei dat het niet helemaal klopte, maar erg anders dan een ander concert was het niet. Maar dit? Om een levende legende – nee, een mythe – hier te zien, hem te zien lachen als ieder ander persoon, het is zo vervreemdend dat ik me bijna niet meer als mezelf voel. Dit is echt.

‘Toen Alexander de moeder van Darius gevangen nam, smeekte ze om haar leven. Maar niet bij Alexander, maar bij mij.’
Alexander haalt zijn schouders op. ‘Oeps.’
‘Dat komt omdat ik langer ben, Alexander. In elk geval, toen ze haar vergissing doorhad, was ze natuurlijk doodsbang.’
‘Maar,’ maakt Alexander af, ‘ik vertelde haar dat het niet erg was.’
‘Hij is ook Alexander,’ vervolgt Hephaestion. ‘Dat zei hij.’
Hephaestion begint weer te grinniken, ik snap er nog steeds niets van, maar laat het wel uit mijn hoofd iets te zeggen.

Darius, die naam ken ik. Hij was de Perzische keizer, als ik het me goed herinner. Ik heb zelfs dit verhaal eerder gehoord, maar dan een andere versie.
Volgens het boek dat ik gelezen had, behandelde Alexander haar als een koningin. Maar wat betekent “hij is ook Alexander”? Ik begrijp nog wel dat ze om mijn naam lachen, ik begrijp ook wel wat het voor verband heeft met de quote. Ik begrijp alleen niet wat de quote betekent.

Wat een mysterieuze quote. En natuurlijk, echt uitgesproken (waarschijnlijk). Ik kan je zelfs bronnen geven als je wilt. Voor de duidelijkheid, dit verhaal doet mee aan de geweldige Terug in de tijd schrijfwedstrijd van Navigator, en af en toe zal ik dus wat eerder of later zijn met hoofdstukken omdat er bonusopdrachten zijn die ik tussen een bepaalde tijdframe moet inleveren. En, wat vinden jullie van Alexander en Hephaestion?
@GrandR: ja, het is nu echt begonnen!
@Wervelwind: aaw, graag gedaan! Alex is een beetje een nerd (en ik ook)
@Raisei: zie boven ^ (:
@FaramirOfGondor: je zult het gauw genoeg zien
@McAbbs: so it does!

Reacties (6)

  • Square

    ‘Sta op.’
    Het is niet eens een bevel, meer een suggestie.

    Aw, dat is onverklaarbaar adorable, eigenlijk. Ik mag hem nu al.

    En hij is ook Alexander, oh gosh, baby's.

    3 jaar geleden
  • Wavechaser

    Alex en Heph zijn ook adorable samen. Is dat ene bed dat in die tent staat van hun samen? (wbw)

    3 jaar geleden
  • Catmint

    Oh ja, natuurlijk, de wedstrijd. Helemaal vergeten. Je moet dit wel echt uit werken naar een groter verhaal, echt gaaf dit!

    3 jaar geleden
  • Grace

    Indiaas? Is het niet Indisch, of gaat dat beiden? of was dat bewust gedaan?
    Indië bestond toen wel helemaal niet, maar kom details (;

    Ik snapte echt helemaal niets van het gesprek op het einde, maar dat is de bedoeling zeker.^^

    3 jaar geleden
  • Delahaye

    Okay, ik snap net zo weinig van de situatie als Alex, maar ik vind het wel geniaal ^^

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen