Informatiebron

Tja, 2117.... Ik wilde iets wat nog een beetje "realistisch" was, dus ben ik opzoek gegaan naar voorspellingen voor de toekomst. Heel eerlijk gezegd snapte ik niet alles van het bovenstaande ^ maar ik ga mijn best doen het zo realistisch mogelijk te beschrijven:)
Daarnaast moet er natuurlijk een stuk in zitten wat helemaal van mij is, dus hoe realistisch dat word, don't ask mexD
Ps: Zet het stuk ff in word, t zijn 2093 woorden.

Ik voel hoe het water mijn longen binnendringt. Het zout slaat mijn keel dicht en prikt in mijn ogen. Mijn hoofd klapt naar achteren en ik verlies het boven-onder gevoel. Wild sla ik om mij heen en grijp iets vast. Een felle steek dringt mijn arm binnen en nog meer water vult mijn longen. Zwarte puntjes dansen rond in mijn hoofd en een vreemd, maar vredig gevoel verspreid zich door mijn lichaam.
Wat doe je? Zwem, kreng, zwem! Schreeuw ik tegen mijzelf. Ik beweeg mijn armen en benen, tol rond en heb geen flauw idee waar ik heen zwem, maar ik beweeg. Ineens grijpt een hand mijn shirt beet en trekt eraan. Ik vlieg door het water als een kleine zeemeermin en eindelijk breekt mijn hoofd door het wateroppervlak.
Johan gooit me op de houten zoldervloer. Heel charmant begin ik over te geven, waarna er eindelijk verse lucht doorbreekt in mijn waterige longen. Johan helpt me overeind en ik hap de lucht naar binnen.
Mijn blik glijd over de zolder en ik zie dat het water al door de kieren begint te komen. Johan ziet het ook en trekt me zachtjes overeind. 'We moeten verder Brigiet.'
'Waar wil je naartoe?' ik kijk hem angstig aan, 'het huis is niet hoger.'
'We gaan het dak op.' Johan opent een grote, rieten mand in de hoek en pakt er dekens uit. Het zijn geen dikke dekens, maar fleece dekens. Ik grijp er een paar van hem over en bind ze om mijn schouders.
Vroeger droomde ik ervan om echte avonturen te beleven en te worden herinnerd als een held. Nu sta ik hier met een paar dekens om mijn lijf, in natte kleren en een bijna dood ervaring en ik vind het maar niets. Geef mij maar een warme stoel met een goed boek.
Ik doe een paar stappen naar het raam en hoor hoe het water klotst onder mijn schoenzolen. We moeten opschieten voordat de zolder ook onderwater staat.
Ik ren naar het raam en kijk er doorheen. Het donkere, zoute water kolkt door de straat en houdt niet op met stijgen. Ik slik, open het raam en word naar achter geduwd door de felle wind die me tegemoet blaast. 'Kom op.' Johan pakt me vast en duwt me het kozijn op. Ik grijp me vast aan het raam, slinger er omheen en beland op een paar dakpannen. Ik slip weg en verschrikt klamp ik me vast aan het dak, maar ik glij weg. De dakpannen zijn nat van het op spetterende water en mijn knieën hebben geen grip. Ik gil en grijp willekeurig om me heen. Weer schiet er een pijnlijke steek door mijn hand, maar ik heb grip! Ik klamp me vast en trek mezelf weer een stukje omhoog.
'Brigiet! Gaat het?'
Mijn blik kijkt zoekend naar boven en ik zie dat Johan bovenop de dakkapel zit. Mijn voeten planten zich in de holletjes van de dakpannen en ik klim als een echte bergbeklimmer omhoog, alleen ben ik nu een dakbeklimmer. Bij het laatste stuk pakt Johan mijn polsen vast en trekt me omhoog. Ik sla mijn armen om zijn nek en begin te huilen. Waar de tranen vandaan komen weet ik niet, maar Johan slaat zijn armen om me heen en maakt sussende geluidjes. Ik kalmeer en maak me los uit zijn armen. De dekens knopen we los en slaan we om onze koude lichamen heen.
We wachten. We wachten, totdat iemand ons komt redden.
-4 Februari 2100


Gefrustreerd bijt ik op mijn lip en klap mijn dagboek dicht. Tranen branden achter mijn ogen en mijn wenkbrauwen staan in een diepe frons. Zachtjes klem ik het boek tegen mijn borst en begin door de kamer te ijsberen. De zolen van mijn kisten stampen op het metaal en veroorzaken een symfonie van geluiden in de kleine ruimte.
'Wat doe je?'
'Fack!' schreeuw ik en draai me vliegensvlug om. Mijn hart bonst in mijn keel en mijn ademhaling is hoog en snel. 'Je laat me schrikken, Johan!'
De grijzige man lacht een kort, maar oorverdovend geluid en schut zijn hoofd. Zijn blik valt op het boek dat ik nog steeds voor mijn borst heb geklemd. 'Je weet dat je dat moet inleveren.' Mompelt hij.
Ik zak terug op het metalen bed en strijk liefkozend met mijn vinger over het ouder wordende leer. Een traan glijd uit mijn oog, langs mijn neus in mijn mondhoek. Hij proeft zoutig net als de zee. Johan legt een hand op mijn schouder. Ik heb niet eens gemerkt dat hij verder de kamer in is gelopen. 'Hier staat mijn levensverhaal in,' fluister ik zachtjes, 'dat kan ik toch niet zomaar weggeven.'
'Nee, natuurlijk niet,' Johan gaat zitten, 'maar het is min of meer voor een goed doel. Het is nu zeventien jaar geleden dat het gebeurde en de nieuwe generatie moet leren wat er toen is gebeurt. Er moet iets veranderen aan de wereld en dat moeten zij gaan doen. Je wil toch niet dat jouw kinderen en achterkleinkinderen ook nog in deze bunker moeten leven?'
Ik kijk Johan aan. Zijn oranje haar is grijs geworden, zijn gezicht is getekend door rimpels en zijn schouders hangen. Toch twinkelen zijn bruine ogen zoals vroeger. Voordat de vloed er was, toen hij nog mijn voetbaltrainer was en ik zijn pupil.
'Je bent nog jong Brigiet. Ik word al oud en ik voel aan mijn botten dat ze zwaarder worden, maar jij kunt nog zoveel doen voor deze wereld,' hij legt zijn hand op mijn dagboek, 'lever dit kostbare exemplaar in, want wat jij hebt geschreven over de vloed is zo gedetailleerd, daar kun je voor de toekomst levens mee redden.'
'Oké.' Ik sta op en glimlach kort naar Johan. Hij knikt me bemoedigend toe.
Ik stap de gang op en word meteen overweldigd door de drukte die heerst in deze waterdichte bunker. Iedereen loopt in dezelfde kleren. De broek en jas zijn crème en het t-shirt dat daaronder gedragen word is grijs. Iedereen draagt zwarte kisten, alsof we soldaten zijn die wachten om te worden uitgezonden. Echter wachten we allemaal, totdat de aarde weer bewoonbaar is.
Wetenschappers kwamen lang geleden er al achter dat de zeespiegel drastisch zou stijgen als Antarctica bleef smelten. Ze voorspelden dat delen van de wereld onderwater kwamen te staan, als we ons niet aanpasten. Niemand luisterde, tot het te laat was om er nog iets aan te doen.
Mijn knokkels kleuren wit, omdat ik zo hard knijp in het boek. De noodoplossing van Nederland? Ze bouwden bunkers voor degene die de vloed wisten te overleven. Nu verzamelen ze informatie over de vloed, zodat de nieuwe generatie leert wat er gebeurd is en niet dezelfde fouten maakt.
Een bel galmt door het gebouw. Mensen om mij heen schrikken op en beginnen sneller te lopen. De bel geeft aan dat het tijd is om te gaan werken. Ik kijk naar het boekje in mijn handen, rits mijn jas los en laat hem in mijn binnenzak glijden. Die komt later wel.
Omdat we met veel mensen op relatief weinig ruimte leven, is er een strak rooster. Tussen zes en zeven moet iedereen opstaan en ontbijten. Om acht uur gaat de bel en is het tijd om te werken. Je werkt tot kwart voor twaalf, dan is er lunch en werk je tot vijf uur. De avond is vrij, behalve als je een nachtelijk beroep hebt. Dit is zeven dagen per week.
Mijn plaats is in het washok. Het is een enorme ruimte met lange rijen wasmachines, drogers en tafels. Ik sta aan een van de tafels en vouw alle broeken die langskomen. Mijn werk is saai, maar vanaf mijn plek kan ik naar buiten kijken. Het water is het enige wat ik kan zien, want veel land is er niet meer over. Er is wel land, maar dat is kilometers verderop. Ik heb eraan gedacht om uit de bunker te gaan en weer op vast land te gaan wonen, maar het vaste land zit al vol met mensen en uiteindelijk zal ik terecht komen in een van de vele vluchtelingenkampen.
'Brigiet Westelaken.'
Mijn ogen schieten omhoog. Een vrouw met blond haar en een notitieblok staat in de deuropening. Het gekibbel van de vrouwen verstompt en iedereen kijkt haar wezenloos aan. We krijgen bijna nooit bezoek hier beneden. 'Is Brigiet Westelaken hier?'
Alle hoofden draaien zich in één beweging naar mij toe. Ik voel hoe de rode kleur vanuit mijn nek naar boven klimt en mijn wangen roze kleurt. 'Euh, ja hier.' Mompel ik en loop achter mijn tafel vandaan. 'Extra gezondheidsonderzoek.'
De rode kleur vertrekt meteen en maakt plaats voor een bleek gezicht. Extra gezondheidsonderzoek? Dat kan niet veel goeds betekenen. Ik loop achter de vrouw aan en hoor hoe zachtjes gemompel opstijgt uit de achtergebleven menigte.
We lopen zwijgend door de bunker naar de bovenste etage. Deze etage is voor het grootste gedeelte van het ziekenhuis. Alleen in de oostelijke vleugel zit onze kleine regering.
'Neem hier maar even plaats.' De vrouw wijst naar een rij stoelen. Ze zijn donkerrood en steken af tegen de witte muur. Voorzichtig ga ik op het puntje zitten, niet instaat om me te ontspannen. Elke twee maanden word je gecontroleerd op ziektes, allergieën en lichamelijke conditie. Dit om te voorkomen dat er een griepepidemie uit kan breken. Af en toe worden er extra controles uitgevoerd. Waarom, weet niemand, maar soms zien we iemand niet terug komen. Ik haal beverig adem en sluit mijn ogen. Wat als ze mij niet terug sturen? Ik bijt nadenkend om me lip. Misschien sturen ze me wel naar vast land, om de populatie hier in de bunker gelijk te houden. Zou iemand mij dan missen hier?
Johan, Johan zou me missen, maar verder? Een kleine hoop fluistert in mijn oor. Zou Wilko mij missen? Vast niet. Een paar maand geleden hadden we een klein feestje en ik had de hele avond met Wilko gedanst. Ik moet eerlijk bekennen dat ik een crush op deze blond harige jongen had, maar nadat we samen in bed hadden gelegen heeft hij me laten zitten.
De lul.
'Brigiet?' De dokter lacht me vriendelijk toe. Zijn haar is zo zwart als de nacht, maar zijn ogen zijn vriendelijk blauw. Zijn vingers zijn lang en pezig. Ik loop achter hem aan en stap de kleine onderzoeksruimte in. Ik word direct geconfronteerd met mezelf. Voor me staat een enorme spiegel, waarin ik mezelf kan zien. Mijn bleke huid valt weg bij de crèmekleurige jas. Mijn groene ogen staan duf en mijn bruine vlecht hangt futloos langs mijn schouder. Mijn postuur is smal, behalve mijn buik, die is mooi rond.
'Ben ik ziek?'
'Ga maar even liggen, Brigiet en trek je jas even uit.'
Zonder vragen doe ik wat hij zegt en beland op het bed. Een zuster sluipt naar binnen en begint naalden in mijn armen te steken. Ze koppelt de naalden aan draden die weer verbonden zijn met een infuuszakje. De dokter buigt zich over me heen en schijnt met een lampje in mijn ogen, daarna klikt hij een riem vast om mijn middel en benen. 'Wat is dit voor onderzoek?' Piep ik zachtjes. Het is verboden om vragen te stellen tijdens gezondheidsonderzoeken, maar ik voel me nu toch wel ongemakkelijk.
Na mijn benen volgen mijn armen. Mijn ogen schieten van de draden naar het infuuszakje als de vloeistof begint te lekken. 'Wat is dit!' Gil ik. Mijn hart begint sneller te bonzen en ik voel mijn oogleden zwaar worden. Met moeite kijk ik de dokter aan. 'Wat doe je met me?'
Twee paar witte gebitjes lachen me toe. 'Brigiet, wat heb je in je buik?'
Ik val stil. Wat heb ik in mijn buik? Ik bijt op mijn lip en sluit mijn zware oogleden. 'Kleine, jonge Brigiet. Je hebt een regel overtreden. In ons systeem staat dat jij nog geen kinderen mag krijgen. Waar moet dat kind leven? Als we het laten leven verstoord het onze populatie.' Zijn stem sist bij iedere klank die hij maakt. Het geluid vult de kamer en kruipt in mijn bed, mijn lichaam en geeft me kippenvel.
'Ga je het doden?' Fluister is zwak. Het vloeistof verdoofd mijn denken en verslapt mijn lichaam. Ik voel mijn eigen armen en benen niet meer. Mijn instinkt roept dat ik hier weg moet, maar ik zit vast. Ik kan geen kant op.
'Je hebt een regel overtreden, Brigiet en daarop staat de doodsstraf. We gaan het niet doden,' zijn lange pezige vinger glijd liefkozend over mijn kaaklijn en veegt een lok haar uit mijn gezicht, 'we gaan jullie doden.'

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen