Foto bij Hoofdstuk 99; Miles.

‘Dus, jij bent mijn kleine zusje?’ Miles grijnsde naar Gemises.
‘Eigenlijk ben jij mijn kleine broertje,’ zei Gemises.
‘Hoe oud ben je. Op welke leeftijd heeft Pan je groei stop gezet?’ Gemises zag er jonger uit dan Miles. Haar zwart, krullend haar, licht getinte huid en donkere ogen deden hem denken aan zijn moeder. Hij had haar twee keer gezien. Beide keren was ze gekleed als een motor-chick. Miles vond het geweldig. Ze zag er zo gevaarlijk uit. Toch had ze een soort warmte over zich gehad toen Miles met haar sprak. Waarschijnlijk omdat ze niet een slechte godin was. Ze was niet duister of gemeen. Ze werd verkeerd begrepen. Ze had een paar vreemde gaven. Als je haar dwars zat, kon ze ook zeker wel gevaarlijk zijn. Vaak werd er gedacht over Miles dat hij gevaarlijk was, gestoord. Hij vond van niet. Hij hield gewoon van gevaar en maakte gebruik van de situatie. Zijn moeder had hem geleerd dat er altijd verschillende paden waren en hij kon deze zien. Meestal was de meest gevaarlijke degene met de beste uitkomst. Hij zag iets in zijn zusje wat hem aan zijn moeder deed denken.
‘Vijftien,’ zei ze.
Hunter, die al die tijd naast hem had gelopen, schoot in de lach. ‘Hahahaha, je had gehoopt dat ze jonger was dan jou!’
Miles bromde. ‘Het scheelt maar één jaartje.’
Hunter grinnikte. ‘Het is toch een jaartje,’ zei hij toen, plagerig.
‘Ze ziet er niet ouder uit,’ viel Gale in.
Miles keek naar zijn vrienden. Hij wist dat de jongens meestal met hem om gingen omdat ze een oogje op hem wilde houden. Ze hadden geen idee wat er in hem om ging. Om eerlijk te zijn hadden de meeste dat niet.
‘Volgens de drieling lijken we op elkaar,’ zei Gemises.
‘Ik kan de gelijkenissen wel zien,’ zei Hunter. Hij glimlachte haar toe. Hunter was een van de mensen die altijd vrolijk leek. Als je het anderen vroeg, zouden ze zeggen dat het Hunter allemaal niet uitmaakte. Miles wist het wel beter.
Gemises glimlachte terug. ‘Ik zou kunnen zeggen dat je beter bekend bent met deze tijd, maar ook dat is niet waar.’ Ze haalde een hand door haar wilde krullenbos en haalde het over haar schouder.
‘Dus, vertel ons eens meer over het verleden,’ zei Hunter. ‘Hoe was het? Waren er echt zo veel monsters in Griekenland?’
‘Veel meer dan dat er hier zijn. We moesten ook veel zelfstandiger te werk gaan. Het was de drieling die hebben gezorgd voor een trainingsparcours en trainingen zoals Pan die gaf. We hadden wel wat ervaring in vechten en samenwerken, maar lang niet zoals Austin en de drieling. Sinds dien hebben we ons beter staande gehouden. Tot…’ Gemises beet op haar onderlip.
‘Tot?’ vroeg Gale. Hij hield zijn hoofd lichtelijk schuin.
‘Tot de titanen door de barrière doorbraken en het kamp aanvielen.’
‘Wat?’ zei Miles geschrokken.
‘De titanen hebben jullie kamp aangevallen?’ zei Hunter. Miles ving een glimp van bezorgdheid op in zijn stem. Iets wat anderen waarschijnlijk niet op zou vallen.
‘Ja. We waren op queeste voor Pan. Eigenlijk was het een queeste voor Alathea, de drieling en Austin. Ze hadden Homerus en Altair waren uitgenodigd om mee te gaan. Ik drong mezelf op.’
Gemises viel kort stil.
‘Toen we terug kwamen, na twee maanden, was het kamp aangevallen. Bijna iedereen was vermoord of-‘
Ze viel opnieuw stil, maar dit keer zag het er niet uit alsof ze verder zou gaan. Ze zag er uit alsof ze in gedachten was en alsof het geen leuke gedachten was.
Altair kwam tevoorschijn en legde zijn hand op haar schouder. Hij had een trieste blik in zijn ogen. Ze keek geschrokken op naar hem, draaide zich toen terug naar Miles en gaf hem een glimlach.
‘We praten er bijna nooit over,’ zei Gemises toen.
‘We hoeven er ook niet over te praten,’ zei Gale. Hij had een lichte frons op zijn gezicht. Miles begreep wel waarom. Gemises was vijftien, maar zag er niet uit als vijftien. Ze zag er jonger uit, kwetsbaarder. Ze was ook typisch zo’n meisje die je zou willen troosten als ze verdrietig was.

‘Gemises?’ Miles keek om. Een jongen, waarschijnlijk van een jaar of zeventien, kwam naar hen toe gehaast. Hij sloeg zijn arm om haar middel en drukte een kus op haar lippen.
‘Jeremy, dit is mijn broer, Miles.’ Gemises keek naar Miles.
Miles keek van Gemises, naar de jongen.
‘Aah, ik hoorde al dat Gemises een broer in De Wacht had. Aangenaam.’ Jeremy, die totaal het tegenovergestelde was van Gemises –blond haar, blauwe ogen, blanke huid-, stak zijn hand uit naar Miles. ‘Ik heb wel een aantal van haar broers en zussen ontmoet, maar die hebben zich allemaal bij Nemesis aangesloten.’
‘Ja, ma bood het mij ook aan. Ze zei dat ze niet vaak mannelijke kinderen hadden die kunnen wat ik kan.’ Hij had het gezegd nog voor hij het zich besefte.
‘Je kunt de mist ook beheersen?’ vroeg Gemises.
Miles knikte. ‘Jij ook dus?’
‘Een beetje. Niet zo goed als de meeste anderen. Daarom wilde mam dat ik er meer over leerde, maar ik wilde De Wacht niet verlaten.’
‘Ik had hetzelfde.’ Miles begreep precies waarom haar zusje had besloten zich niet bij hun moeder aan te sluiten. De Wacht was er meer voor hem geweest dan zijn eigen familie, dus waarom zou hij? Hijzelf kon de mist goed beheersen, dat was misschien voor Gemises niet het geval, maar dat veranderde de situatie niet per se.
Miles keek naar Jeremy. Hij wist nog niet wat hij van deze jongen moest vinden. Niet dat het hem uitmaakte met wie zijn zusje iets had. Ze kende elkaar nog maar net. Er was echter iets aan de jongen wat hem niet beviel.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen