Foto bij Hoofdstuk 100; Ira.

Dionysos was de eerste die ontwaakte. Het had hem slechts vijf minuten gekost. Hij schreeuwde het uit, vlak voor zijn ogen open schoten.
Ira haalde diep adem. Ze sloot kort haar ogen, voor ze hem aankeek. Hij keek haar aan, met grote ogen.
‘Dat was lang,’ zei Ceres. Demeter was een van de weinige die nauwelijks veranderde. De verandering was niet te merken in haar gedrag, maar wel in uiterlijk.
‘Absoluut niet. De rest zit er nog in,’ zei Aphrodite. Ze keek geamuseerd naar Dionysos. Zijn gestalte veranderde naar Bacchus, maar zijn uitdrukking van horror veranderde geen moment. Zijn lichaam trilde.
‘Ik moet wel zeggen, ik had iets indrukwekkender verwacht Ira.’ Aphrodite zuchtte diep en keek verveeld naar buiten. Aphrodite was ook een godin die weinig veranderde. Eigenlijk waren Aphrodite en Demeter nog prima in staat om te gaan en staan waar ze wilde zonder problemen te veroorzaken. Toch kon Ira hen niet laten gaan. Zolang ze de anderen hier hield, moest ze hetzelfde doen met Aphrodite en Demeter. Ze moest wel, anders zouden ze de anderen problemen veroorzaken.
‘Indrukwekkender?’ Dionysos keek haar woedend aan.
‘Ja. Een beetje met haar planten of een draak creëren ofzo. Pan kan dat.’
‘Pan en ik zijn verschillend in een aantal opzichten,’ zei Ira. Ze keek naar Zeus, Poseidon en Ares, die nog op de grond lagen. Ira kon dit, iets wat Pan niet kon. Dat kwam omdat Ira ook de macht had over nachtmerries en angsten. Pan had dat van nieuw leven. Ira kon geen nieuwe wezens creëren. Ze gingen beide wel over leven en dood, maar dat was anders dan het creëren van leven vanuit het niets. Ira en Pan hadden wel eens gedaan alsof Ira de gave had. Zo had Ira een aantal monsters bedacht voor trainingen, die Pan had gemaakt, zodat De Wacht een goede training had. Pan had wel eens gevraagd waarom Ira niet wilde dat anderen niet wisten dat ze die gave niet had. Het was heel simpel: Dan zagen mensen een zwakte die ze konden benutten. Zolang het mogelijk was, wilde Ira verbergen dat ze verschillen hadden in gaven. Pan vond het niet erg, maar ze had wel gezegd dat als iemand er naar zou vragen, ze eerlijk zou antwoorden. Als Pan het had over de monsters die Ira had gecreëerd, had ze het over het feit dat Ira ze bedacht had. Ira had ze namelijk tot in detail uitgewerkt.
‘Hoe lang denk je dat ze nog blijven slapen?’ vroeg Mercury. Hij keek naar de drie slapende mannen. Ze zagen er alles behalve vredig uit.
‘Dat is afhankelijk van hun,’ zei Ira. Ze legde haar armen op de leuning van de bank en liet haar kin er vervolgens op rusten.
‘Wat zag jij Dionysos?’ vroeg Aphrodite.
Dionysos’ gezicht verharde. ‘Gaat je niets aan!’ snauwde hij haar toe.
Hij drukte zichzelf nu pas overeind. Hij keek naar zijn broers, onderzoekend haast.
‘Hoe kan het dat zij nog in de nachtmerrie zitten?’ vroeg Bracchus.
‘Ze hebben nog niet opgegeven,’ zei Ira. ‘Er zijn maar een paar manieren om er uit te komen. Door alle moed te verliezen, door te erkennen dat ik te sterk voor je ben of door te winnen.’ Ira grijnsde. ‘Dat laatste is onmogelijk.’ Ze keek naar Bracchus. Hij zag nog wat bleekjes. Ze kon het hem niet kwalijk nemen.

Mars was de volgende die bijkwam. ‘Nee!’ schreeuwde hij luid, terwijl hij met zijn handen in de lucht greep. De blik in zijn ogen was, in tegenstelling tot die van Bracchus, kil en doods.
Ira haalde diep adem en sloot opnieuw haar ogen.
‘Mars?’ Venus haastte zich naar hem toe.
Ira voelde Hephaistos’ lichaam naast haar verharden uit woede. Hij wist heus van de affaire tussen zijn vrouw en de god van de oorlog. Hij kon er alleen weinig aan doen. Hij kon ze voor schut zetten en het ze moeilijk maken, maar hij kon Venus moeilijk verbieden om dit soort kleine tekenen van affectie te tonen.
‘Hmm.’ Ira opende haar ogen. ‘Interessant.’
Ares keek haar aan. Hij was haast net zo bleek als Dionysos. Zijn ogen kregen langzaam iets meer leven terug, alsof hij zich begon te beseffen dat dit de realiteit was.
‘Interessant?’ vroeg Venus. Ze keek Ira verwart aan. Vulcan had ook een frons op zijn gezicht.
‘Zijn nachtmerrie. Die was interessant. Net als zijn manier van handelen.’
‘Ho!’ zei Bracchus. Hij kwam spontaan overeind van de zetel waarin hij zich gezet had. ‘Je weet waar onze nachtmerries over gaan?!’
‘Ze ademt het in. Alle informatie stroomt door de lucht naar haar toe.’ Het was een nieuwe stem die zich in het gesprek mengde. Het deed Ira opkijken.
Nemesis verscheen vanuit de schaduw van een pilaar.
‘Nemesis. Welkom,’ zei Ira.
‘Dank u,’ zei Nemesis. Ze was een van de weinigen die nooit als vijand naar Ira had gekeken. ‘Het is interessant, die gave van je,’ zei Nemesis. ‘Ik geloof dat een van mijn kinderen een vergelijkbare gave heeft.’
‘Dat weet ik. Ze zit in mijn Wacht.’
‘Pans Wacht,’ bromde Bracchus.
Ira liet het gaan. Pan was er momenteel niet, dus op het moment was het haar Wacht, niet die van Pan. Toch, dat sprak ze niet hardop uit.
‘Gemises heeft de kracht om de angsten van anderen te zien en voelen. Ze gebruikt vervolgens de mist om hen die te tonen.’ Ira liet haar hand door de lucht gaan en speelde een beetje met de mist. De mist was overal, je moest alleen weten hoe je het moest gebruiken. Alle goden konden dat, uiteraard. ‘Het is het enige wat haar goed lukt. Met de mist, bedoel ik. Verder kan ze er weinig mee.’
‘Hmm. Ze is niet zo gezegend met de gave als enkele anderen,’ zei Nemesis. Ze ging naast Aphrodite staan. Een van de weinige gelijkenissen die Aphrodite en Nemesis hadden was het feit dat ze beide vrijwel constant van uiterlijk veranderde. Hun uiterlijk was dat wat je van hen wilde zien. Bij Aphrodite was het vooral je ideale schoonheidsbeeld, bij Nemesis was het anders. Toch waren de veranderingen subtiel bij beide.
‘Ze kan ze niet in een nachtmerrie brengen, zoals jij kunt.’ Nemesis hield haar hoofd schuin, kijkend naar de twee broers die nog over waren. ‘Maar ze weet al wel wat hun angsten zijn voor ze het aan hen toont. Jij leert er pas over achteraf. Of niet soms?’
‘Goden wat ben ik blij dat ik er voor heb gekozen niet mee te doen,’ mompelde Hermes.
Ira glimlachte om zijn reactie. Hij had inderdaad de dans ontsprongen.
‘Dus, wat was zijn grootste angst?’ vroeg Hephaistos gierig.
‘Sorry,’ zei Ira, ‘maar ik ben niet van plan om jullie angsten bloot te geven aan de anderen.’ Ze keek Hephaistos aan. ‘Ik wil geen onderlinge oorlog creëren. Er heerst al genoeg chaos zonder dat jullie elkaar aanvliegen.’

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen