Ik ademde diep in, diep uit en weer opnieuw. Eindelijk, eindelijk had ik Friox terug. Nu pas besefte ik hoe verschrikkelijk ik hem eigenlijk gemist had. Hoe zijn afwezigheid mijn hart langzaam van binnen had afgebroken, hoe kort we elkaar ook even niet hadden gezien en hoe breekbaar onze vriendschap eigenlijk was.

De omarming duurde echter net iets te lang voor die van een gewone vriendschap. Maar het vóélde ook helemaal niet als gewoon, het voelde als meer, dus ik liet me gaan. Ik nestelde mijn voorhoofd tegen zijn schouder, terwijl hij met zijn vingers door de strengen van mijn net iets te lang niet gewassen haar woelde.

Hij was me niet vergeten, hij hield van me. En ik van hem.

Ik keek hem aan, terwijl die gedachte als een teder pluisje door mijn hoofd leek te dansen. Teder, alsof het zo kapot kon gaan.

Hij keek ook op, diep in mijn betraande ogen. Hij plantte zijn hand om mijn gezicht, als een verstevigende lijst om een breekbaar schilderij. Zijn duim volgde het spoor dat een traan op mijn wang had achtergelaten.

Friox hield zijn hoofd even scheef, keek naar mijn lippen en vervolgens naar mijn ogen. Links en rechts, één voor één, heen en weer, om de beurt. Ook langs zíjn wang liep een eenzame traan, die ik glimlachend met het puntje van mijn neus wegveegde.

Eén ogenblik keek ik over zijn schouder. Eén ogenblik maar. Maar toen ik de minachting ogen van Gleane zag glimmen, deed ik snel een stapje achteruit.

'Sorry,' weerde ik mezelf blozend af.

Friox keek me verbaasd aan en draaide zich om. Ook bij hem schitterde de schaamte in zijn ogen toen hij het gezicht van zijn moeder zag, maar hij lachte enkel. 'We gaan al.'

Braidh, die tot nu toe onopgemerkt in een schaduw-achtig hoekje had gezeten, keek op vanuit iets wat op een boek leek, en trok alleen één mondhoek omhoog en knipoogte. Dat zei genoeg.

Ik stapte half bukkend achteruit en trok Friox daarbij mee uit de tent. Onafgebroken hield hij Braidh in de gaten, alsof hij een flikkering in zijn ogen had opgemerkt die hem niet aanstond.

O ja, ik mocht Braidh best, maar minder dan Friox. Ik wist dat ze dat beiden al wel door zouden hebben, maar Friox wilde daar geloof ik nog een extra bewijs van.

'Kom nou,' suste ik vlak bij zijn oor, 'het wordt al bijna donker.'

Misschien was dat wat overdreven, het werkte echter wel. Hij wierp Braidh nog een blik toe, van "ik hou je in de gaten", maar richtte zijn aandacht daarna weer op mij.

'Waar gaan we naartoe?' vroeg hij nieuwsgierig, zijn stem veranderend van zijn kille stemming naar warm.

'Weet ik niet,' antwoordde ik, 'ik ben hier echt nog maar een klein uurtje.' Ik hield even stil en richtte mijn hoofd tot Friox toen ik mijn vraag stelde. 'Waarom ziet jullie tent er eigenlijk zo afgesloten en somber uit?'

Hij zuchtte diep en zocht naar zijn woorden. 'Het was Gleanes keuze. Ze wilde per se dat ons niks zou overkomen in deze donkere tijd, vol verwarrende gebeurtenissen.' Zijn stem stokte even. 'Ze snapt niet dat we oud genoeg zijn om het te trotseren, ze snapt het gewoon even niet meer.' Hij boog zijn hoofd, volgens mij vond hij het lastig om hierover te praten. 'En toen ik over jou begon,' ging hij toch verder, maar zachter, 'wist ze niet over wat of wie ik het had. Daarom keek ze net zo raar. Ze begon dan, elke keer als ze jouw naam hoorde, te praten over iets wat "morgenrood" als hoofdonderwerp had, maar het was niet bepaald begrijpelijke taal.'

Mijn gezicht vertrok, de laatste zin niet eens meer horend. 'Ze... ze is me vergeten?' Ik slikte, hopend dat Friox het niet zou merken. Maar hij zweeg alleen.

Een moeder, ik had Gleane als tweede moeder beschouwd. Ik had haar liefde gegeven en zij mij ook, dus wat was er nu mis gegaan? Hield ze toch niet genoeg van mij, om me niet te vergeten? Of hield ik, diep van binnen, toch niet van haar?

Ik voelde een hand op mijn schouder en Friox keek me aan. 'Gaat het? Je ziet er bleek uit.'

Ik staarde naar mijn vertrapte schoenen, die half verstopt waren onder het hoge gras. 'Het is niets.' Misschien kon ik het hem later vertellen, maar nu nog niet.

Het bleef nog even stil. 'Laten we een rondje gaan wandelen in het bos of zo, om ons even op te frissen,' sprak hij toen, schouderophalend.

Ik knikte afwezig. Er moest toch iets zijn om weer bekend te raken bij Gleane? Gewoon, helemaal opnieuw beginnen en me vanavond netjes als nieuwkomer voorstellen? Er moest en zou een oplossing zijn, al was het om de werking van de jas tijdelijk uit te schakelen. Als het non-stop werkte, zou iedereen alles steeds maar blijven vergeten. Dat zou ook niet bepaald handig zijn. Misschien kon ik hem uit doen?

Ik besloot het vanavond te proberen, vlak voordat ik zou gaan slapen. Nu was het daar veel te koud voor. Maar ik werd des te benieuwder of Gleane me dan weer zou herkennen.

Zo bleef ik nog een tijdje piekeren, tot er opeens een kort blafje tot me doordrong dat me wat opbeurend op deed kijken.
'Hee,' zei ik zacht, een kleine glimlach op mijn lippen toverend, terwijl we naar het hokje toe liepen. Ik knielde neer in het hier wat lagere gras en legde mijn handen op mijn knieën. 'Kijk Likkie, dit is Friox, mijn vriend. Lik hem maar.'

Friox deinsde achteruit en trok een eng gezicht. 'Likkie? Hoe kom je daar nou weer op?'

Ik duwde zijn hand zachtjes tot vlak voor de tralies, terwijl Likkies kopje steeds dichterbij kwam. 'Voel zelf maar.'

Toen Friox door had wat het hondje van plan was, trok hij lachend zijn hand terug. 'Ik wil niet veel zeggen hoor, maar...'

'Hé, niet doen jij!' riep ik, mijn armen over elkaar slaand, 'terug met die hand. Nu, vriendschap aanbieden, allebei.'

'Nou, nee. Zoals ik al wilde zeggen,' ging hij ongestoord verder, 'dit is geen hond die de naam Likkie verdient. Bovendien, dit ís helemaal geen hond.'

'Oh,' zei ik enkel terwijl ik mijn hand op zijn schouder legde. 'Maarehm, hoe heet hij dan wel en wat ís het?'

'Maldaliher,' antwoordde hij met een geheimzinnige stem en een veelbetekenend gezicht.

'Gekkerd.' Ik gaf hem een duwtje waardoor hij omviel en languit op zijn rug in het gras viel. 'Hoe weet jij dat nou.'

Mij zielig aankijkend hield hij zijn hand gestrekt, alsof ik hem aan zou pakken en vervolgens zijn hele lichaam overeind zou trekken.
Maar ik ging stevig rechtop staan, mezelf zo ver mogelijk boven hem uit torenend. 'Ik ben de baas,' zei ik plagerig met een lage stem, 'vertel eerst maar waarom Likkie opeens Malda... dinges heet.'

'Nou, gewoon.' In een fractie van een seconde maakte Friox een schijnbeweging. 'Omdat hij simpelweg een Maldaliher ís. Ik ben hier al een week langer dan jij, vergeet dat niet.' Vliegensvlug rolde hij zijn lichaam onder mijn benen zodat ik mijn voeten hun grip verloren en ik languit op mijn buik viel, alle lucht uit mijn longen geperst. Tot overmaat van ramp voelde ik een zwaar gewicht op mijn rug, waarna ik besefte dat hij boven op me was gaan zitten.

Ik maakte wat rochelende stikgeluidjes. 'Hou op, je vermoordt me nog!'

Toen ik na enkele lange seconden eindelijk de druk van mijn rug voelde verminderen, draaide ik me om en zag de kleine lachoogjes van Friox die mijn hart zowat lieten smelten.

'Jou zou ik nooit vermoorden,' constateerde hij deftig terwijl hij zijn gezicht steeds dichterbij bracht.

Ik keek hem aan. Een grassprietje kietelde in mijn nek en opeens kreeg ik de neiging om er eentje te proeven, al had ik geen idee of het lekker was. Zijn neus en mond waren nu zo dichtbij dat ik zijn adem kon voelen, zo dichtbij alsof we de lucht tussen ons samen moesten delen. De frisse avondzon leek recht door zijn lichte ogen te schijnen. 'En...' Ik trok een denkbeeldig lijntje met mijn vingers over zijn zachte, pas nog geschoren wang. Mijn ogen knepen zich samen. 'Wie zou je dan wel willen vermoorden, als ik het niet ben.'

Eén klein spiertje in zijn gezicht vertrok, maar het veranderde zijn hele uitdrukking. 'Ik vermoord niet graag mensen. Alleen als het echt moet.'

Ik knikte. 'Eigenlijk was het maar een grapje. Maar ik snap je, ik ben ook niet zo van levenloze lichamen.'

Hij glimlachte. Het rode licht van de ondergaande zon gaf een gouden gloed aan zijn witte haar. 'Je bent mooi als je zo serieus kijkt.'

Nu lachte ik ook. Maar na een paar seconden verflauwde de lach. 'Dit gaat voorbij, Friox,' fluisterde ik, 'en het duurt niet lang meer.'

Hij legde een vinger op mijn lippen, en onwillekeurig dacht ik terug aan de eerste dag dat ik hem ontmoette, hij op zijn handelskar en ik verstopt onder een warme deken. Toen hij zo vreemd deed en ik hem al bijna - excuses, helemaal - was gaan haten. Eén keer nog had ik hem gevraagd waar hij zijn handeltje nou had achtergelaten. Hij had me immers wijsgemaakt dat hij een handelaar was, hij met zijn knechten. Als antwoord daarop had hij me mompelend iets toegebromd als ontslag en bezuinigingen.

Deze keer voelde zijn vinger echter fijn, vertrouwd. Deze geladen warmte voelde natuurlijker, alsof het uit onze lichamen samen kwam in plaats van alleen uit de zijne. Ik genoot van het korte moment.

En inderdaad, kort was het. Het luide geschal van een hoorn galmde over het veld en onderbrak ons ritueel.

Friox draaide zijn hoofd en mompelde iets onverstaanbaars.

Met mijn hand op zijn wang draaide ik zijn gezicht terug naar de mijne. 'Wat? Ik versta je niet als je de andere kant op praat.'

'Ach,' bromde hij, luid zuchtend opstaand, zijn mouwen opstropend, 'bijeenkomst.'

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen