De wereld zat vol met haat – met haat en haat alleen. Overal waar je keek, zag je haat. Zelfs in de kleinste hoeken van de kamer, waar je eerst toch dacht liefde te zien, bleek later een hele portie haat aanwezig te zijn. Niemand had zich ooit afgevraagd waar die wrevel überhaupt vandaan was gekomen. Het had normaal geleken dat we het niet konden hebben dat iemand anders dacht, of andere dingen deed.
      En het was ook normaal dat haat liefde overheerste. Liefde was een uitputtend iets, een ware marteling. Het was steeds opnieuw moeite steken in iets waarvan je bijna zeker wist dat het nooit naar je terug zou komen. Indy wist ook dat liefde niets meer zou betekenen dan een trage, pijnlijke dood, maar toch verlangde hij ernaar, zoals je alleen naar liefde kon verlangen in een tijd waarin iedereen elkaar verachtte.
      Oorlog deed niemand goed, daar was hij zich van bewust. Waar hij zich ook van bewust was, was dat zijn verhaal lang niet zo pijnlijk was als dat van de gemiddelde mens in de eenentwintigste eeuw. Hij was de zoon van een multinational, en hoewel hij niet op veel steun en liefde van zijn vader kon rekenen, kon hij niet zeggen dat hij het slecht had. Hij had een dak boven zijn hoofd, en hij kreeg genoeg eten om zeker twee buikjes mee te vullen. Het was die overvloed aan eten die hem er in eerste instantie toe had aangezet om heel misschien toch moeite te pompen in het begrip genaamd liefde.
      Hij was op straat gegaan in de stinkende steegjes tussen de rottende lijken om een paar kruimels uit te delen aan degene die het nodig hadden. Hij had verwacht dat de daad hem ervan zou overtuigen dat de wereld naar de klote was en dat enkel nog haat zijn weg vond in de mensenharten. Hij had het bij het verkeerde eind gehad, want hoewel het grootste deel van zijn eten zonder pardon en zonder dankjewel uit zijn handen werd gesleurd, vond een half stukje brood zijn weg naar de maag van een jongen van ongeveer zijn leeftijd. Het feit dat zijn maag eindelijk weer een beetje inhoud kreeg, had een lach getoverd op het gezicht van de jongen. Een lach zo breed en zo oprecht dat Indy hem nog eens wilde zien.
      Sinds die dag ging hij iedere dag naar de steegjes, de stank en de rotzooi negerend. Af en toe botste hij op een aantal mensen die zijn eten wilden stelen. Meestal gaf hij zonder enig verzet mee. Enkel wanneer hij riskeerde zijn laatste beetje eten te verliezen, durfde hij terug te slaan of weg te lopen – of allebei.
      Vandaag baande hij zich vrij makkelijk een weg doorheen de steegjes. Het grootste deel van het eten zat nog in de doos toen hij de jongen bereikte.
De jongen zag er slecht uit. Hij zag er altijd slecht uit. Niemand zag er goed uit wanneer je geen geld had in tijden van uiterste nood. ‘Het is spaghetti,’ zei Indy. Een paar dagen geleden was hij beginnen praten tegen de jongen, al kreeg hij weinig respons. Soms twijfelde hij of het kind wel dezelfde taal sprak. ‘Heel goede spaghetti trouwens. Zoals al ons eten goed is. Mijn papa heeft een privékok, sinds hij toch nooit tijd heeft om te koken. Waar zou hij zijn geld anders in moeten steken?’ Indy glimlachte vriendelijk, wachtte op een antwoord en opende in tussentijd de doos met spaghetti.
      De jongen nam de boos met het bestek aan en begon het eten in zijn mond te proppen. Indy vroeg zich af of iemand, wanneer hij zo uitgehongerd was, nog op de smaken lette. Proefde hij nog steeds de kruiden zoals Indy ze geproefd had, of dacht hij alleen maar dat dit eten een manier was om zijn honger te stillen? Kon hij nog genieten van eten?
      ‘Wat is je naam?’ Het was een vraag die Indy plots overviel, maar het scheen cruciale informatie te zijn. Hij wilde een naam plakken aan het gezicht dat hij zag, hem een identiteit geven.
      Voor het eerst beantwoordde de jongen één van Indy’s vragen. ‘Oliver.’ Het was een simpel antwoord, zonder veel achtergrond. Een te mager antwoord, vond Indy.
      ‘Heb je familie?’
      De jongen schudde zijn hoofd. ‘Heb jij familie?’ kaatste hij terug.
      ‘Ik heb een vader,’ antwoordde Indy.
      ‘Dat is niet wat ik vroeg.’ De jongen, Oliver, werkte zijn laatste hap naar binnen, schoof de doos opzij en keek Indy diep in de ogen. ‘Weet je nog… hoe het vroeger was?’
      ‘Wanneer?’
      ‘Toen mensen nog van elkaar hielden. Toen we elkaar nog hielpen.’
      ‘Je hebt te veel sprookjes gehoord,’ zei Indy binnensmonds. ‘Mensen hebben nooit van elkaar gehouden. Ons enige doel is altijd geweest om elkaar te vernietigen.’
      ‘Jij helpt me.’ Hij stond op. ‘Mag ik je iets laten zien?’
      Indy knikte en volgde hem. Ze renden niet. Op het tempo waarop ze zich bewogen was het zelfs moeilijk te spreken over ‘wandelen’. Oliver trilde op zijn benen en moest constant steun zoeken bij zware muren, omgevallen vuilnisbakken of akelige hekken. Uiteindelijk bleef hij staan bij een oud kraakpand. Hij vroeg Indy om de deur te openen.
      Indy’s gezonde wantrouwen stelde meteen de vraag: ‘Waarom open jij hem niet?’
      Oliver, niet meteen geraakt door die woorden, haalde een schouder op en zwaaide de deur open. Hij strompelde naar binnen, terwijl Indy hem op de voet volgde en de ruimte bestudeerde. Het gebouw was rot.
      ‘Hier slaap ik,’ meldde Oliver. ‘Eerst nog met een paar andere jongens, nu alleen.’ Vragen wat er met de rest gebeurd was, was compleet overbodig. Het antwoord zweefde al tussen hen in als een zware last die ieder moment naar beneden kon storten.
      ‘Wat wilde je me laten zien?’ vroeg Indy.
      Oliver boog voorover, greep naar een voorwerp dat Indy niet kon zien en draaide zich toen om met een geweer in zijn hand. Even dacht Indy dat hij verkeerd gekeken had en dat het geen wapen was, maar hij zag wat hij zag, en de werkelijkheid zou niet opeens veranderen. ‘Als je geld wilt…’ begon Indy.
Oliver leek eerst te schrikken, maar toverde daarna een speelse lach op zijn gezicht. ‘Er zitten geen kogels in.’
      Indy boog dichter naar het geweer. ‘Waarom…’
      Oliver wees naar het symbool op het geweer. ‘Ken je het?’
      Natuurlijk herkende Indy het symbool, maar hij had geen zin om zijn kostbare kaarten op tafel te gooien, dus schudde hij verstandig zijn hoofd. ‘Waarom?’ Het was bijna alsof hij alleen maar dat woord kon uitspreken vandaag.
      ‘Ik ben op zoek naar de eigenaar.’
      ‘Waarom?’
      ‘Mijn moeder heeft het gekregen, ik wil weten van wie.’
      Indy beet op zijn lip, wilde zijn mond openen om te zeggen wat hij wist, maar werd op datzelfde moment overvallen door een helse steek in zijn zij. Vol afschuw keek hij naar zijn rechterzij, die geperforeerd was met slechts één kogel, langs achteren. Geschokt keek hij naar Oliver, die bijna even geschokt terug staarde. ‘Nee!’ gilde hij, veel te laat.
      Van een plek achter Indy kwamen twee mannen afgestormd. De ene drukte een verband tegen Indy’s zij, de andere greep hem bij zijn nek. ‘Goed werk, Oli,’ zei één van de mannen – Indy kon niet zeggen welke van de twee.
      Een enveloppe met geld werd aan Olivers voeten neergegooid. ‘Ik…’ begon Oliver, maar voordat hij zijn zin af kon maken, werd Indy weggevoerd, terwijl de mannen uitbundig praatten over al het geld dat ze uit hem konden slaan.
      Maar het was hun verlies, want… Indy was slechts één kleine vis in een zee vol erfgenamen en waar de mannen rekenden op liefde van Indy’s vader, hadden ze zonet bewezen dat liefde nooit had bestaan.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen