Foto bij ~1~ Birds

Heb je ooit wel eens het gevoel gehad dat je heel graag iets kapot wilt gooien? Of iets om wil duwen? Een vreemd gevoel in je buik, een wolk van woede die opborrelt binnen in? Daar begon het allemaal mee, het was op normale donderdagochtend...

piep piep, piep piep. Ik kneep mijn ogen dicht tegen het zonlicht dat door het dakraam over mijn gezicht streek. Ik gaapte en rekte me uit. Ik sloeg wild om me heen op zoek naar mijn piepende wekker. Ik voelde mijn hand de wekker van mijn nachtkastje duwen, en hoorde de wekker die met een klap op de grond viel. Kreunend kwam ik overeind, wreef in mijn ogen en pakte moeizaam de wekker op. Ik drukte op het uit-knopje en viel terug in bed. Ik staarde naar uit het raam dat boven mijn hoofd zat. Het was nog erg mooi weer voor een dag midden in november. Er dreven maar een paar eenzame witte wolkjes in de strak-blauwe lucht. Een zwarte vogel vloog over het raam. Automatisch ging mijn hand naar de ketting om mijn hals. Het dunne metaal voelde aangenaam koud aan tussen mijn vingers. Mijn hand sloot zich om het kleine zilveren vogeltje aan de ketting. Chris had het aan mij gegeven, toen we precies 3 maanden iets hadden. Het was de dag dat we naar Parijs zouden gaan. En de dag dat mijn vader overleed. Dat was nu 2 jaar geleden. Ik ging overeind zitten en strekte mijn armen uit naar het dakraam. Ik kon het net een klein stukje openduwen, net ver genoeg om de frisse herfstbries met mijn vingers op te kunnen vangen. De wind streelde mijn vingers en mijn armen. Ik ademde de frisse, zoete lucht in en sloot mijn ogen. Het rustige moment werd verstoord door mijn broertjes, die mijn kamer binnen stormden. Ze sprongen op mijn bed en begonnen aan mijn pyjama te trekken. “Waven komen! Waven komen!” Ze konden de R van Raven nog niet uitspreken. Ik zuchtte en klom met Sammy en Billy nog aan mijn kleren van het bed af.

“Raven!” Ik hoorde de vertrouwde stem van Mandy al van een kilometer afstand. Ik glimlachte toen ik mijn beste vriendin bij de bushalte zag staan zwaaien. Dichterbij komend zag ik dat ze een bezorgde, of bijna bange blik in haar ogen had. “Gaat het wel?” Vroeg ik. Ze begon struikelend over haar woorden te vertellen over 2 jaar geleden, de dag dat mijn vader op het spoor gevonden was. Iedereen ging er vanuit dat het zelfmoord was geweest. Maar ik wist wel beter. Mijn vader was de meest optimistische man die ik ooit ontmoet had. Hij zou nooit zelfmoord plegen. "Je had gelijk over David" zei ze, terwijl ze haar voeten bestudeerde. "Hij had ermee te maken." David was het ex-vriendje van Mandy. Ik wist wel dat hij niet deugde, we hadden hem moeten aangeven bij de politie de dag dat hij mijn vader op het spoor vond. Niemand ging er van uit dat hij misschien de dader was. Het begon druk te worden bij de bushalte. Druk pratende en lachende mensen verzamelden zich rond Mandy en mij. "Het spijt me zo, ik had het je moeten vertellen" ging Mandy verder, "Maar ik was bang dat David me dan pijn zou doen" Mijn hele lichaam was versteend en koud. Ik staarde in de verte en zag een musje nog net op tijd aan de kant vliegen voor de aankomende bus. "Je bent toch niet heel erg boos?" vroeg Mandy. Ze ging verder met praten, maar haar woorden vervaagden. Een huivering ging langs mijn ruggengraat. Alle geluiden om me heen mengden zich tot een luide ruis in mijn oren. Het leek wel alsof de tijd stil stond. Opeens hoorde ik helemaal niks meer. Het werd zwart voor mijn ogen.

Gierende banden. Een luide klap. Gillende mensen en in de verte sirenes. In het volgende moment gebeurde alles heel snel. Mensen renden om me heen. Ik probeerde te omvatten wat er zojuist gebeurd was. Ik voelde niks meer. Langzaam veranderde het zwarte in blauw-rood-blauw-rood. Een politieman begon luide bevelen te roepen. Bange gezichten keken mijn kant op. Maar ik had alleen oog voor het meisje voor de bus. Mandy. Een aantal mannen in witte jassen zaten om haar heen. Haar lange bruine haren lagen om haar hoofd heen, gemengd met donkerrood bloed. Ik staarde naar haar uitdrukkingsloze gezicht, haar doffe blauwe ogen en haar spierwitte wangen. Opeens werd ik verstoord door een luide stem: "Jij, monster!" Ik staarde recht in het gezicht van een boze man. Hij keek me aan vol afkeer aan. "Waarom glimlach je?" zei hij met verbijstering en afschuw in zijn stem. Hij hief zijn hand. Ik deinsde achteruit, wild om me heen kijkend. Een moeder trok haar kind aan de kant en ging beschermend voor hem staan. Het jongetje keek bang vanachter zijn moeder naar mij. Pas toen realiseerde ik wat ik had gedaan. "Ik... Ik..." stamelde ik hulpeloos. Ik draaide me om en begon te rennen. Ik wilde weg van de mensen, weg van de afschuw, weg van het bloed. Weg van het monster wat dit gedaan had. Maar je kunt niet wegrennen voor jezelf...

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen