Het stadje dat ze in de verte had gezien was uitgestorven. Het leek wel een bouwval. Alle huizen waren aan het afbrokkelen, de houten hekjes om de tuinen heen waren doorgerot en de meeste gebouwen hadden gaten in de muren en daken. Cerice had wel eens over dit soort spooksteden gehoord. Helemaal leeggetrokken door een economische crisis, oorlog of een ramp, de papieren en de voedselvoorraden nog in de huizen, maar niks was zo eng als de ruïnes die ooit onderdak boden aan de inwoner. Ze stapte voorzichtig een van de huizen binnen en trof een rommel aan. Het aanrecht stond vol met borden en schalen, de tafel lag vol met papieren en aantekeningen en zelfs een wapen was slordig op de stoel achtergelaten. De kastjes stonden nog vol met eten. Beschimmeld fruit, glazen potjes met witte, sponsachtige deeltjes erin - nog meer schimmel - en een paar blikjes voedsel. Al lang de datum gepasseerd, zag Cerice toen ze het blikje bekeek. Ze durfde één blik open te maken, maar de geur die eruit kwam liet haar kokhalzen en het voedsel belandde snel bij het vuilnis. Snel vervolgde ze de zoektocht door het huis.
      De bovenverdieping was maar klein. Er was één kleine slaapkamer waar ze maar net rechtop kon staan en een opberghok met een hoop oude spullen. Er zat afgezien van wat verband niks bruikbaars bij. In de kleding van de voormalige bewoonster paste Cerice niet. Kennelijk was ze toch langer dan ze had verwacht. Tegen de muur van het opberghok stond een verstofte spiegel. Net groot genoeg voor Cerice om zichzelf te kunnen bezichtigen. Al had ze dat beter niet kunnen doen. De zwarte bos haar was een wilde boel geworden van de tijd in het woud. Er zaten overal klitten en het ploos ongelooflijk. Her en der hingen er zelfs nog blaadjes en takjes in, alsof ze een barbaarse wilde was. Haar kleding was gerafeld en gescheurd en van haar mantel was ook amper wat over.
      Het bed in de slaapkamer was nog redelijk intact. Een beetje ingezakt en een paar planken waren vergaan, maar dat weerhield Cerice er niet van om even te gaan liggen. Een paar uur slapen kon toch geen kwaad. Niks of niemand zou haar kunnen vinden in deze spookstad. Na de dagen in het woud omarmde de vermoeidheid haar en viel ze in een diepe slaap.

In een verlichte hal stonden negen mannen tegenover de troon. Een oude man zat in de troon en keek hen een voor een aan.
      "Mijn zonen, ik heb besloten dat een van jullie deze troon krijgt. Het koninkrijk heeft een nieuwe koning nodig. Er zal geen landverdeling plaatsvinden, ik wil maar één zoon op de troon." De broers keken elkaar vuil aan.
      "Maar vader, dit kunt u niet maken! We zijn met negen, wat moeten de andere acht dan doen?" riep Aldorin verongelijkt. "Iedereen heeft zijn eigen talent, u kunt geen onderscheid maken!"
      "Aldorin, het spijt me, maar dit is mijn keuze. Ik wil dit land in één deel houden, geen grenzen, gewoon één groot volk dat elkaar accepteert zonder onderscheid te maken in uiterlijk of persoonlijkheid." De koning zuchtte diep.
      "Wie heeft u dan gekozen?" vroeg een man met paarse ogen. Hij keek zijn vader vol verwachting aan.
      Een nieuwe zucht volgde. "Beloven jullie dat er geen ruzie ontstaat in deze zaal?" Een aantal knikten, Norag staarde vooruit en Aldorin keek zijn vader kil aan.
      "We zullen beloven dat er geen ruzie en bovenal, geen oorlog zal ontstaan na uw besluit, vader," sprak een man met felblauwe ogen plechtig.
      "Dank je, Loran. Jouw intelligentie en kalmte heb ik altijd een van de beste kwaliteiten in de familie gevonden. Dit is ook precies de reden, mijn jongens, waarom ik Loran als opvolger van Ogron heb gekozen." De koning glimlachte naar zijn zoon.
      "Dit is een grote fout en u zult het berouwen!" riep Norag uit het niets en hij stormde de troonzaal uit.


Cerice schrok opnieuw wakker uit haar droom. Wie waren die mannen toch en waarom droomde zij over hen? De vragen bleven komen terwijl Cerice langzaam van het bed kwam. Het was inmiddels bijna donker buiten en het werd toch tijd dat ze weer op pad zou gaan. Ze wist niet wanneer ze mensen tegen zou komen, hoe ver ze van de hoofdstad van Emperya verwijderd was en bovenal hoe lang ze nog kon doorgaan op een lege maag. De nacht was het perfecte tijdstip om te reizen en zo snel als ze kon vertrok Cerice. Ondanks dat ze zichzelf gisteren al had gezien, schrok ze toen ze langs de vuile ramen liep en zichzelf zag. Het leek alsof haar kleren nog meer gaten bevatten dan de dag ervoor, maar ze kon er niks aan veranderen.
      De nacht was fris en Cerice baalde van haar kapotte cape. Daarbij kon ze niet zien waar ze liep en was ze al een aantal keer bijna gevallen. Om het nog erger te maken was het pad volledig verlaten en kon ze alleen bomen en grasland zien. Nergens stonden hutjes of huisjes en in de lucht was er geen teken van rook te bekennen. Het deed haar geen goed. De angst dat ze had gefaald en op die weg zou sterven nam steeds meer bezit van haar en ze bleef piekeren tot de zon op begon te komen. Zelfs de hoofdpijn die ze had gekregen kon haar niet deren.
      De zonnestralen gaven haar een klein beetje hoop. Ze kon weer zien en ze had geluk deze keer. In de verte kon ze een kleine stad zien, met een toren die hoog boven de huizen uitstak. Ze zag vanaf diezelfde afstand dat er een paar wagens de stad in kwamen rijden. Hopelijk was het markt, dan zouden er misschien voedselkraampjes zijn. Cerice versnelde haar pas een beetje, maar naarmate ze dichterbij de stad kwam, nam haar snelheid terug af en strompelde ze op de gebouwen af. Cerice kon het marktplein al zien. Een heerlijke geur kwam haar tegemoet, maar voordat ze nog een stap dichterbij kon zetten, werd het zwart voor haar ogen.


Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here