Foto bij • Hoofdstuk 1.8

"Hak at net een appel 😍😍"
-Sam, februari 2017


‘Ja, dit is hem,’ riep Sam tegen Amelia, Ilse en Ada die ook aan kwamen hollen. ‘De Bosjesmannen ‘, stond er in de boom gekrast met slordige, kronkelede letters. De boomhut was gemaakt van wat planken met daaroverheen een oude stoffen denken, veel bladeren en oude metalen platen, ze hadden alle materialen van overal nergens vandaan gehaald, wist Sam nog.
‘Moeten jullie niet haar huis, eigenlijk?’ vroeg Ada, kijkend naar de langzaam donker kleurende lucht.
‘Straks,’ antwoordde Sam vaag.
‘Mijn ouders zijn niet thuis, dus ik kan hier net zolang blijven als ik wil,’ mompelde Amelia. Sam dacht aan haar ouders, die dachten dat ze bij Ilse zou logeren. Ze dacht aan Ilses ouders die misschien wel wachtte totdat ze terug kwamen. Maar ze zouden nog even moeten wachten, want ze gingen echt niet zo snel weg van de boomhut. Eindelijk waren ze terug bij de boomhut, nu gingen ze niet zo snel meer terug naar hun huis, ze waren er immers nog maar net. Daarbij was Sam bang dat ze de weg niet meer terug zouden kunnen vinden als ze de boomhut opnieuw moest gaan zoeken en ze was ook bang dat ze de andere Bosjesmannen nooit meer terug zou zien. Ze had nog lang niet alle vragen beantwoord had gekregen waarop ze een antwoord wilde, dus ze wilde liever nog langer in hun bijzijn verkeren.
Ilse had bereik hier, dus desnoods stuurde ze even een berichtje naar haar ouders waarin ze uitlegde zij en Sam wat later thuis zouden zijn. Misschien was dat inderdaad wel het handigst, dan hoefden ze zich daar ook geen zorgen meer om te maken en konden ze zo laat terug komen als ze wilden. Alhoewel, inmiddels rammelde Sams maag wel en had ze graag wat te eten gehad. Maar ze moest nu maar vrede hebben met het idee dat ze niks zouden krijgen als ze niet haar huis terug zouden keren. Immers was het, het één of het ander, ze bleef toch echt liever hier dan dat ze haar maag thuis zou kunnen vullen met voedsel.
Dus de keus was gemaakt, de Bosjesmannen zouden zoals vroeger in het donker door de struiken rennen, door de bosjes, het bos kennend als hun eigen gedachtegangen.
Sam hield van het bos. Niet alleen door de herinneringen of de groene bladeren, maar door de gevoelens, de geuren, de rust. De gedachtes, de bomen, de boomwortels die wat uit de grond staken en waar mensen over struikelde. De tijd die er langzamer leek te verstrijken en vooral de vertrouwdheid. Het was alsof ze uit de dikke, hangende mist van de buitenwereld stapte en ze eindelijk normaal kon zien zodra ze in het bos was of bijvoorbeeld aan zee liep. Om hier te zijn met haar oude vrienden en goede herinneringen maakte alles nog des te fijner, maar waren niet de redenen waarom ze hier graag kwam.
En toch was er zoveel tijd verstreken sinds ze de paden voor het laatst bewandeld had. Waarom wist ze ook niet precies, het was alsof ze met het nooit meer komen op dat soort plaatsten, haar herinneringen daar ook had gelaten. Als een afsluiting van dat deel van haar jeugd. Immers zag ze haar vrienden haast nooit meer, kwam ze haast nooit meer bij de boomhut en was ze gegroeid. Gegroeid qua levenswijsheid, qua lengte, qua interesses.
Een vage glimlach speelde met haar lippen en liet haar het plezier in zien van het weerzien van haar vroeger zo geliefde locatie. In een soort automatisering pakte ze één van de laagste takken en trok zich eraan op, waardoor ze haar voeten gemakkelijk op de tak kon zetten. Flexibel sprong ze naar de volgende tak, zelfverzekerd dat ze niet zou vallen. Met één voet landde ze op de tak, met beide handen vond ze meteen steun aan een andere tak en kon ze verder klimmen verder. Langs de stam omhoog, af en toe leunend op een tak, op naar één van de hoogste, maar ook dikste takken om zo de boomhut binnen te kunnen gaan. Ze zat nu al wel op zo een vijf meter hoogte en ze snapte niet hoe ze zo onbezorgd naar boven hadden kunnen klimmen zonder bang te zijn naar benden te vallen, toen ze hier als kinderen hadden gespeeld. Ze hadden gewoon zorgeloos van tak naar tak geslingerd zonder na te denken over de eventuele gevolgen en de onverantwoordelijkheid en roekeloosheid verbaasde haar enigszins. Hoe hadden ze dat gammele ding dat ze een boomhut noemden ooit in de boom gekregen? Hoe hadden ze van tak naar tak gesprongen met een metalen plaat onder hun arm? Waren ze echt Bosjesmannen geweest of toch meer Boomklimmannen?
Daarbij, hadden ze de gevaren niet gezien van het instorten van het ding? Was het na al die jaren nog wel stevig? Ze deinsde wat terug om haar voeten te zetten op de eerste planken, aangezien het hout duidelijk rotte. Het hout was zwart en waarschijnlijk allang niet meer gezond, wat ook wel logisch was. Het was afvalhout geweest toen ze het haalde voor hun boomhut, dus wat het nu was, was gewoon een armzalig hoopje van wat ooit hun boomhut was geweest.
‘Hoe is het daarboven?’ vroeg Ilse vanaf benden. Maar Sam negeerde die vraag en zette een voorzichtige eerste stap op het hout. Het kraakte en kreunde onder haar voet, maar het zakte ook niet in elkaar door een gedeelte van haar gewicht. Zenuwachtig zette ze nog een stap en één moment leek het erop dat ze zo een zes meter naar benden zou stortten, maar toen ze gauw een paar stappen verder zette naar de metalenplatenvloer, leek het erop dat het veilig was om de boomhut te betreden. Overigens zouden ze het hout wel moeten vervagen aangezien dat gewoonweg wel een te gevaarlijk deel in de hut was om in deze staat te laten liggen. Maar ze hadden het terug. Hun boomhut. Hun geheime kwartier voor de Bosjesmannen.
Behendig sprong ze over het hout, door de ingang van de boomhut zodat ze weer naar buiten stond, naar de volgende tak, zodat ze weer in het zicht was voor Amelia, Ilse en Ada.
‘We kunnen naar binnen!’ riep ze naar de groep meisjes benden, ‘alleen we moeten wel over het hout springen, want dat is verrot!’ Ilse keek even vertwijfeld naar de weg die ze zou moeten beklimmen om naar boven te moeten gaan, maar zette vervolgens al snel de stappen in de heen weg naar de boomhut.
‘Ligt de zak stenen er nog?’ vroeg Ada, die inmiddels ook op de eerste tak van de boom was geklommen.
Sam keek de boomhut nog eens goed van binnen en knikte daarna, maar besefte dat Ada het niet zou zien van zo een hoge afstand.
‘Alles ligt er nog! Een kompas, boeken, notitieboeken, pennen, potloden, de stenen en het plasticzwaard,’ ze fronste haar wenkbrauwen, ‘en een zwaardachtig iets, maar dat is een echt wapen volgens mij. Er is nog iemand geweest hier en nog niet zo kort geleden ook.’

Reacties (1)

  • Samanthablaze

    Dus de keus was gemaakt, de Bosjesmannen zouden zoals vroeger in het donker door de struiken rennen, door de bosjes, het bos kennend als hun eigen gedachtegangen.
    En door het olifantsgras op de vlucht voor angstmutila- Oh oeps dat was het zwarte gat der pijnlijke herinneringen

    qua lengte

    *cynische lach* If only...

    ‘en een zwaardachtig iets, maar dat is een echt wapen volgens mij. Er is nog iemand geweest hier en nog niet zo kort geleden ook.’

    OH HEMEL HET IS MIJN HAK

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen