“Ik stop.” Door mijn tranen heen zie ik hoe hij me plotseling recht aankijkt. “Ik stop met voetballen.”

De woorden galmen na in mijn hoofd, ik ben compleet verlamd, niet in staat me te bewegen. Ik kan hem alleen maar aanstaren.

“W-wat?” zegt Cassi, die haar stem vrij snel weer heeft teruggevonden. Ze kijkt hem vol ontzetting en verwarring aan. Dan wordt die blik weer boos. “Wát?!”

“Ik stop. Zodra we ons gekwalificeerd hebben voor het wereldkampioenschap vertrek ik naar Duitsland om geneeskunde te studeren.” Hij kijkt ons gepijnigd aan en wendt dan zijn blik af.

Ik zou zoveel willen zeggen. Zoveel willen schreeuwen. Zoveel willen roepen. Dat hij liegt, dat het niet waar is, dat hij moet stoppen met deze zieke grap. Maar ik kan het niet. Ik kan het allemaal niet, omdat ik weet dat het wél waar is. Dat hij niet liegt en dat dit geen zieke grap is. Ik zie het in zijn ogen, die, net als de mijne, gevuld zijn met tranen. Ik zie het aan zijn houding en ik hoor het aan die klank in zijn stem. Ernstig en gekweld.

“Duitsland…” mompelt Cassi, en ik weet dat in probeert te schatten hoe ver dat is. Italië is ver weg, maar Duitsland is nog veel verder. Ik raak hem kwijt. Hij gaat weg, begint een nieuw leven, zoals wij dat ook gedaan hebben. Een nieuwe start. Een nieuwe start in een nieuw land met nieuwe mensen. Zoals wij dat deden. Alles wat we daar ooit hadden is nu zo ver weg. Alles wat ooit zo belangrijk kan ik me nu slechts vaag herinneren. De plaatsen en mensen waar ik om gaf, mijn vrienden, Cassi’s team… allemaal mensen die ik al tijden niet gesproken heb, ze zijn aan het vervagen. Het leek oké. Zij zouden doorgaan met hun leven, nieuwe vrienden maken. Wij zouden opnieuw beginnen, nieuwe vrienden maken. En snel zou het nieuwe het oude zo verdrongen hebben dat ik thuis niet meer zou missen, want dit was nu immers mijn thuis. En hoe hard dat ook klinkt, langzaam zouden we elkaar vergeten.

Dit is anders. Zo anders, maar toch ook zo hetzelfde. Dit keer is het andersom. Dit keer gaat er iemand van mij weg. Dit keer ben ik het die gaat vervagen. Ik, Cassi, het team… zodra hij in Duitsland is gaat zijn nieuwe leven van start. Een nieuw leven in een nieuw land, zonder mij. En over een jaar is het alsof onze tijd hier, alles wat we hadden, er niet meer toe doet, alsof het opeens onbelangrijk is geworden. Dan heeft hij nieuwe vrienden. Misschien wel een nieuwe vriendin. Alles wat we hebben meegemaakt hier, alles wat we hier samen hebben doorstaan, opeens is het als een droom: eerst nog zo mooi, zo helder, maar naarmate de tijd verstrijkt verdwijnt die droom langzaam uit ons geheugen, en over een paar jaar weten we niet eens meer dat we een droom gehad hebben. En dan ben ik hem kwijt. En er is niets wat ik kan doen om hem terug te halen in mijn herinnering, in mijn hoofd en bovenal in mijn hart.

Mijn wereld brokkelt af, samen met de muur die ik had opgebouwd om mijn naam emoties binnen te houden. Een traan ontsnapt en glijdt over mijn wang. En nog een. En nog een. Ze druppelen op de grond en verdwijnen in de aarde. “W-waarom?” Ik herken mijn eigen stem, maar heb er geen controle over.

“Ik heb het er heel vaak met mijn vader over gehad,” zegt hij. “Hij wil dat ik dokter word, net als hij en dus zal ik moeten stoppen met voetballen.

“Axel.” Cassi kijkt hem recht aan. “Weet je zeker dat dit jouw keuze is, en niet die van je vader?”

Zelfs tussen mijn tranen door kan ik de uitdrukking op zijn gezicht zien. Geschrokken en plotseling onzeker.

“Je bedoelt…” Ik richt mijn hoofd op en kijk hem recht aan. “Je bedoelt dat je vader je dwingt te stoppen met voetbal?”

“Dat kan hij niet maken!” roept Cassi fel. “Daar heeft hij helemaal niets over te zeggen! Dit laat je toch niet zomaar doen?! Dit kun je niet maken, Axel!”

Voor ze verder kan gaan met schreeuwen leg ik mijn hand op haar schouder. “Cassi,” is het enige wat ik zeg, maar ze weet meteen wat ik bedoel: stop. Het is niet zijn fout. Het is allemaal niet zijn fout. Hij heeft zijn uiterste best voor ons gedaan. Meer kan hij ook niet doen. Ik laat mijn zusje’s schouder los en kijk mijn vriendje aan.

“Fay,” zegt hij zacht. “Fay, ik-”

Voor hij zijn zin kan afmaken vlieg ik hem om de hals. Eén omhelzing die meer zegt dan duizend woorden. Eén omhelzing die zegt: Ik wil je niet kwijt. Ik wil je nooit meer kwijt. We zouden voor altijd samen blijven, je zou me nooit meer loslaten. Alsjeblieft, hou me vast en neem me mee naar waar je ook gaat. Ik hou van je, Axel, wat er ook gebeurt.

Tranen glijden over mijn wangen en druppelen op zijn schouders. “A-Axel,” snik ik zacht.

“Het spijt me,” fluistert hij. “Fay, het spijt me zo, maar ik… mijn besluit staat vast.”

“Axel, ik… Ik wil je niet kwijt, ik…” probeer ik, maar hij laat me los -iets waarvan ik zo gehoopt had dat hij het niet zou doen- en loopt weg.

“Axel, kom op!” roept Cassi hem na, met een ondertoon vol woede. “Hier valt toch over te praten? Je hebt het recht om nee te zeggen! Als je wilt blijven voetballen, dan doe je dat gewoon!”

Even staat hij stil, maar hij draait zich niet om en kijkt me niet aan. “Het spijt me, Fay,” zegt hij, net hard genoeg om verstaanbaar te zijn. “Echt waar.” En met die woorden verdwijnt hij, en laat hij mij achter in het donker. Mijn knieën begeven het en ik zak op de grond. En zodra hij uit het zicht is barst al het verdriet en alle tranen los.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen