Schilderkunst


Maia was altijd een beetje een leeghoofd geweest. Misschien was dat de reden waarom ze schilderes was geworden. Ze hoefde zich geen vragen te stellen over wat al dan niet mogelijk was. Het enige wat ze hoefde te doen, was een beeld uit haar hoofd overbrengen naar een schilderij. En dat deed ze met zoveel passie dat ze na iedere werkdag zowel zichzelf als haar atelier had beklad.
      Met de rug van haar hand probeerde ze de verf uit haar gezicht te wrijven, maar ze maakte het enkel erger. Nu was er niet langer slechts één rode spat, maar zat heel haar gezicht onder de verf. Ze liet een diepe zucht ontsnappen, haastte zich naar de wasbak, maar keerde middenin haar weg weer terug om haar meesterwerk nog even te bewonderen.
      Het was een prachtig landschap dat rechtstreeks uit haar dromen was geplukt. Eén blik op het schilderij en ze bevond zich in een magische fantasiewereld, waar elven oorlog voerden, heksen magische brouwsels maakten en draken de hemel bevolkten. Soms wenste ze dat ze kon vluchten naar zo’n land, en dan besefte ze dat ze door te schilderen toch al een beetje was gevlucht.
      Zodra ze ieder detail van haar werk in zich had opgenomen, liep ze naar de wasbak. Daar maakte ze een washandje nat met lauw water. Vervolgens wreef ze het over haar gezicht om de verfplekken zo goed en zo wel mogelijk te verwijderen. Het zwakke licht van de lamp boven de spiegel was niet genoeg om alle vlekken op haar gezicht te onthullen, dus boog ze iets dichter naar de spiegel. Een seconde lang deed ze haar best een hardnekkige vlek boven haar wenkbrauw weg te vegen, daarna verstijfde ze, werd ze overvallen door het gevoel dat er iets niet klopte. Nee, dat was te zacht uitgedrukt. Het was alsof er iemand achter haar stond, op slechts een paar millimeter afstand, klaar om zijn hand om haar hals te leggen en haar langzaam van de adem te beroven.
      Ze draaide zich om, speurde de ruimte af, maar trof helemaal niets aan. Een zenuwachtig lachje ontsnapte aan haar lippen. Ze was blij dat er niemand in de buurt was, anders had ze zichzelf enorm belachelijk gemaakt. Ze schudde haar hoofd, zette het gevoel van zich af en richtte zich weer op de spiegel.
      Ze zag een zwarte vlek.
      Meteen deinsde ze achteruit, struikelde ze over haar eigen voeten en knalde ze tegen grond. Zodra ze de vloer onder haar billen voelde, schoof ze nog meer naar achter. Ze ademde snel, gejaagd. De haren op haar huid gingen heel even recht overeind staan. Heel even maar, want zodra ze de muur in haar rug voelde, werd ze terug naar de werkelijkheid gezogen. Er was helemaal niets dat ze had gezien, die zwarte vlek in de spiegel was simpelweg gevormd door een loshangende wimper die voor haar oog bungelde.
      Ze duwde zichzelf overeind en wandelde naar de wasbak. In eerste instantie waren haar passen zelfzeker en lachte ze zichzelf uit om haar blunder van eerder, maar hoe dichter ze naderde, hoe onzekerder haar passen werden. Ze probeerde zichzelf te kalmeren door haar kinderachtige gedrag in het belachelijke te trekken, maar slaagde niet in haar opzet. Haar benen trilden en ze wist dat als ze nog één stap dichter zou zetten, ze zou gaan wenen.
      Ze balde haar handen tot vuisten, ademde een paar keer diep in en uit en mompelde toen tegen zichzelf: ‘Het is niet meer echt nodig … om mijn gezicht te wassen.’ Haast automatisch zette ze een paar stappen naar achter en voelde ze de last van haar schouders vallen, maar zodra ze zich opnieuw ontspande, dacht ze iets in haar ooghoek te zien. Met een ruk draaide ze zich om, maar het enige wat ze zag, was haar schaduw die tegen de muur was geplakt.
      ‘Bange kip,’ verweet ze zichzelf. Ze wilde naar de deur lopen, haar atelier verlaten en haar tocht naar huis inzetten, maar ze kon haar benen niet in beweging brengen. Ze was doodsbang om haar rug naar de wasbak te keren, omdat ze wist dat er iets was in die spiegel wat er niet hoorde te zijn. Ze kwam iedere dag naar dit atelier, iedere dag opnieuw keek ze in die spiegel – zelfs een paar keer tijdens het zogenoemde ‘spookuur’ – en nooit eerder had ze gevoeld wat ze nu had gevoeld. Ze had nooit eerder trillend op haar benen gestaan. Ze had nooit eerder wenend om haar mama willen roepen. Ze had nooit eerder op het punt gestaan te schreeuwen om hulp.
      Ze wilde langzaam naar de deur lopen, haar blik gefixeerd op de spiegel, maar ze werd opgeschrikt door een geluid. Haar verwarde brein kon het geluid even niet plaatsen en maakte zich klaar om het op een lopen te zetten, maar al snel realiseerde ze zich dat het haar gsm was. Enigszins opgelucht nam ze op en hoorde ze de stem van haar vriend aan de andere kant van de lijn. Hoewel hij niet hier was, gaf het geluid van zijn stem haar een veilig gevoel. Het was een beetje te vergelijken met een mama die haar kind in een dekentje wikkelde nadat deze een zware nachtmerrie had gehad.
      ‘Kom je nog?’ zei Zeke, ietwat opdringerig. Zeke was nooit goed geweest in het verbergen van zijn gevoelens. Door de ondertoon in zijn stem wist Maia meteen dat hij eten voor haar had klaargemaakt en vreesde dat het koud zou worden voordat ze terugkwam.
      ‘Ja.’ Haar stem klonk schril, al was het nauwelijks merkbaar. ‘Ik ga nu vertrekken.’ Zeggen dat ze ging vertrekken gaf haar de moed om er ook effectief vandoor te gaan. Het was alsof ze eindelijk het perfecte excuus had gevonden om de wasbak en de spiegel achter zich te laten. ‘Ik ben zo daar,’ zei ze nog, terwijl ze langzaam begon weg te lopen en amper nog oog had voor de spiegel. ‘Wacht nog een paar minuutjes.’ Ze legde af, passeerde haar schilderij, wilde de deur openen, en … draaide zich terug om naar haar schilderij.
      Ze sloeg haar hand voor haar mond en begon zwaarder te ademen. De tranen brandden achter haar ogen en ze wist dat ze de foute keuze had gemaakt. Ze had nooit terug moeten komen. Ze had gewoon naar buiten moeten lopen en niet meer achter zich moeten kijken. Dan zat ze nu veilig in haar auto, dan liepen de tranen nu niet over haar wangen en dan werd ze nu niet geconfronteerd met het besef dat iedere ademteug die ze nam wel eens de laatste kon zijn.
      Instinctief deinsde ze achteruit. Ze probeerde ze zoveel mogelijk afstand te creëren tussen zichzelf en het schilderij, maar ze struikelde over een paar lege dozen die ze had opgestapeld en botste in volle val tegen een klein tafeltje met daarop een vaas met een schitterende bos rozen. Het porselein spatte uit elkaar op de vloer en het water mengde zich met de urine die langs haar broekpijp omlaag liep.
      Ze kon alleen maar naar het schilderij staren. Het schilderij dat ze met zoveel passie had geschilderd. Het schilderij dat ze een paar minuten eerder nog in volle glorie had bewonderd. Het schilderij dat prachtig was geweest, misschien wel een van haar beste werken.
      Het schilderij dat dat niet langer een schilderij was, maar een grote zwarte veeg.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen