Foto bij H.29.

Het laatste stukje van het afgelopen hoofdstuk:
Even sta ik mijzelf toe wat te ontspannen en niet te rennen, maar een vreselijk besef doet mijn spieren zich zo hevig aanspannen, dat het voelt alsof ze elk moment zullen knappen, al is dat niet mogelijk.
I-ik... ik ben verdwaald.

Angstig kijk ik om mij heen.
Waar ben ik?
Ja, in de jungle, maar waar?
Welke kant ben ik heen gerend?
Het voelt alsof er iets kouds en stekeligs in mijn maag ligt en langzaam blijft groeien en groeien.
Mijn borstkas gaat hevig heen en weer, maar ik durf niet in paniek te raken.
Als je in paniek raakt ben je praktisch dood.
Maar wat zou ik graag willen gillen, schreeuwen naar Tyson in de hoop om een antwoord te krijgen.
En wat zou ik graag willen huilen, gewoon onbeschaamd huilen.
Huilen om Brayden, over iedereen in deze Arena die dood is, over iedereen in deze Arena die hier niet zou moeten zijn en over dat ik dood zal gaan.
Dat ik mijn familie nooit meer zal zien.
Maar het kan niet, ik moet kalm blijven, rustig.
Ik dwing mijzelf even rustig op adem te komen en ga dan nadenken over een plan.
Mijn pijlen liggen bij Brayden, dus als ik wil boogschieten zal ik zelf pijlen moeten maken.
Alleen kan ik daar waarschijnlijk de materialen niet van krijgen en het kost te veel tijd.
Ik kijk om mij heen, vergeefs speurend naar een plek die ik herken, die ik zie en gewoon weet waar ik heen moet.
Maar die plek is er niet.
Elke boom, elke struik en elke kuil in de vochtige aarde lijkt op diegene van een meter erachter.
Dan merk ik een boom op, net iets langer dan de andere.
Ik begin erin te klimmen, met als doel om vanuit de top te bekijken waar ik ben.
Het duurt niet lang voordat ik uit de hoed van bladeren verschijn.
Ik kijk om mij heen, naar de jungle, jungle en jungle.
Heel ergens in de verte zie ik de hoorn.
Nou ja, ik hoop dat dat de hoorn is.
Waar ben ik helemaal heengerend?
Hoe groot is deze Arena wel niet?!
Nogmaals kijk ik goed om mij heen, naar de boomtoppen, hopend dat ergens Tysons hoofd verschijnt, als een Tysonnetje-uit-een-doosje.
Maar ik zie niets.
Ik schat in hoe ver ik moet lopen naar de Hoorn.
Het is ver - geen idee hoe ver, een van mijn minpunten is altijd al geweest dat ik moeite heb met het inschatten van afstanden.
Dan pas besef ik dat ik verschrikkelijke dorst heb.
Ik grijp naar de kruik aan mijn riem, die verschrikkelijk lucht is.
Ik open de dop en probeer zo veel mogelijk van dat doorzichtige goud in mijn mond te laten glijden.
Op.
Geen water meer.
Wat een pech, water weg.
Ik krijg kippenvel van de zenuwen.
Ik heb water nodig.
En eten.
Hoe vaak heb ik mensen wel niet zien verhongeren?
Zien uitdrogen?
Hoe vaak heb ik wel niet hun doffe ogen gezien op het laatste moment van hun leven, omdat ze geen eten of drinken konden vinden?
Die ogen doe ondanks te tranen zo mat lijken, al staan de tranen ze in hun ogen, ze sterven door te weinig vocht.
Haast ironisch.
Ik klim de boom uit, laat mij van een van de laagste takken op de grond glijden.
'En nu op zoek naar water.' zeg ik dan.
Want ik zal niet sterven.
Nóg niet, althans.

Reacties (2)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen