‘Wie is hier nou de meester in het bespelen van mensen, Florian?’ Ik kan je vermoorden op elke manier ik maar wil en ervoor zorgen dat het hele Capitool je gaat haten, dat je naam met walging zal worden uitgesproken.
      Even glinstert er onzekerheid in zijn ogen en ik kan wel juichen als ik het zie.
      ‘Ik zou zeggen dat jij dat bent, maar weet, Aderyn, ik heb je goed in de gaten gehouden de laatste dagen en ik leer snel.’ Onder het praten zet hij een aantal stappen dichterbij en legt hij zijn vinger onder mijn kin, zodat ik hem aankijk. Ik weet misschien één seconde van tevoren wat hij gaat doen, als hij diep ademhaalt en plotseling de laatste afstand tussen overbrugt.
      Zijn lippen raken de mijne, zacht en voorzichtig. Stiekem heb ik het gemist. Zijn lichaam tegen het dat van mij en het nieuwsgierige, kriebelende gevoel in mijn buik. Zijn lippen smaken nog steeds subtiel naar honing en gewoon naar Florian. Hij plaatst zijn handen op mijn heupen en trekt me nog iets steviger tegen hem aan. Eventjes, eventjes doet niets anders in de wereld er nog toe. De Spelen niet, het stomme interview niet, alleen dit moment. Ik sla mijn armen om zijn nek en kus hem terug. Zonder leugens, of verdraaide waarheden dit keer. Mijn woede dooft uit en verdwijnt, alsof het er nooit is geweest.
      Zijn vingers dwalen over mijn blote rug en kriebelen mijn naakte huid. Het liefst zou ik de tijd stopzetten en deze veilige roze wolk nooit meer verlaten. Duizenden vlinders dansen door elkaar, vervullen me met hun liefde. Ik wil dit. Ik zou willen dat dit echt zou kunnen bestaan. Dit, hij, maakt me gelukkig.
      Het zou van mij zelfs nog veel langer mogen duren, als Florian zich losmaakt. Een vriendelijke en lieve lach tekent zijn gezicht en ik kan niet anders dan gelukzalig terug lachen. Hij heeft een ietwat rode blos op zijn wangen en het staat hem eigenlijk heel lief. Hij buigt zich voorover, om iets in mijn oor te fluisteren. Zijn stem is een tikkeltje hees, wat me onbewust weer doet glimlachen.
      ‘Ik weet niet wat ik nou leuker vindt. Dit zoenen, jouw vriendelijke lach, of het feit dat Cabe vlak achter je staat en je zo te zien wel kan vermoorden.’ Weg. Mijn idyllische zeepbel van geluk spat met een ongekende kracht kapot, explodeert met de kracht van een bom. En het enige wat ervoor nodig is geweest, was een handvol woorden.
      Ik voel de glimlach van mijn gezicht glijden terwijl ik ontzet mijn hoofd naar de deuropening draai. Cabe staat er inderdaad en kijkt me trillend van woede aan, in zijn stormachtige ogen is de razernij af te lezen, samen met de emotie die tot nu nog nooit voor mij bedoeld is geweest. In het korte moment zie ik datgene in zijn ogen, wat me misschien nog wel het meest pijn doet van allemaal. Haat. Hij kijkt me aan, met haat.
      De kleine, triomfantelijke grijns die op Florians gezicht te lezen staat als ik mijn blik weer op hem richt, breekt mijn hart, waarvan ik eerder niet eens wist dat hij de macht ervoor bezat. Het barst uit elkaar, versplintert in kleine stukjes, valt van een afgrond naar beneden.
      Een ijzige kou verspreid zich door mijn lichaam. De kilte sijpelt door mijn maag, mijn benen, mijn voeten, armen en mijn handen. De kou lijkt mijn denken over te nemen, waarbij ik mijn zwakke emoties verstop achter een dikke laag ondoordringbaar ijs. Hij meende er niets van, hij speelde het spel en ik ben in zijn val gelopen. De waarheid maakt me wakker uit de gelukzalige droom die nooit kon bestaan en treft me als een stoot in mijn maag.
      Met alle kracht die ik nog in me heb hef ik mijn hand op en sla ik Florian zo hard ik kan. Een kille woede die al het andere verdooft, verbergt mijn verdriet.
      Woedend been ik de lift uit, langs Cabe heen, terwijl de deuren van de lift achter me dichtschuiven. Cabes hand sluit zich echter om mijn bovenarm en dwingt me te stoppen en hem aan te kijken.
      ‘Aderyn,’ ik probeer hem kil aan te kijken en niet te laten merken dat het pijn doet dat hij mijn naam niet meer afkort. Ik zie hem diep adem halen en probeer me alvast af te sluiten voor wat hij gaat schreeuwen. Ik hoor het niet eens als hij losbarst. Ik kijk hem alleen maar aan en wacht tot hij klaar is.
      De blik op mijn gezicht druipt van de arrogantie en minachting. Ik weet het, en ik doe er niets aan. De woede die ik voel voor Florian, uit zich steeds meer in de richting van mijn enige en beste vriend. Als hij gestopt is met schreeuwen, rol ik met mijn ogen.
      ‘Klaar?’ Vanbinnen roep ik naar mezelf dat ik moet ophouden, dat ik mijn excuses moet aanbieden en moet zeggen dat het me spijt, maar ik doe het niet. Ik houd niet op, ik bied mijn excuses niet aan, ik zeg niet dat het me spijt. Ik doe alsof ik het verdriet in zijn ogen niet zie, zodat ik het mijne niet hoef te voelen. Als hij wegloopt, ben ik een vriend kwijt.

Reacties (2)

  • Samanthablaze

    Als hij wegloopt, ben ik een vriend kwijt.

    Eigenlijk zou je hem sowieso kwijtrakenxD

    3 jaar geleden
  • Slughorn

    Whooo *^

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen