Ze had nooit gedacht dat het ooit werkelijkheid zou worden. Na al die jaren van dromen, van hopen en vooral van het lezen van versleten boeken was ze nu daadwerkelijk in de stad van vele grachten. Venetië.
      Het voelde als een droom die uitkwam, maar tegelijk beangstigde het haar ook. De omstandigheden waren niet zoals ze verwacht had. Ze was niet op vakantie en ook niet met haar grote liefde hier naartoe verhuist. Was het maar zo simpel. Ze had geen keuze gehad en dat was wat het allemaal zo dubbel maakte. Ze had hier altijd zo graag heen willen gaan, maar nu het niet uit vrije wil was geweest, leek de stad haar hele magie verloren te hebben.
      Samen met haar kersverse echtgenoot was ze naar deze mooie gevangenis gegaan. Voor haar was het de enige oplossing geweest, hoe erg ze haar man ook verafschuwde. Waarom ze ooit ja gezegd had tegen zijn aanzoek was haar ergens ook een raadsel, maar ergens wist ze waarom. Ze had zijn geld nodig en dat wist de man. Hij had haar altijd begeerd om haar uiterlijk - al vond ze zelf haar benen net iets te dik en haar ogen net iets te scheef - en hij was rijk geweest. Dat ze 's nachts droomde van het moment dat ze de scheidingspapieren zou ondertekenen en weg zou vluchten, was een geheim wat ze diep verborgen had. In plaats daarvan liet ze zich gewillig vervoeren naar de stad uit haar dromen en de stad die haar tegelijk leek te verstikken. De grachten leken te smal te zijn, de blikken van de mensen net iets te wellustig. Waarom zag niemand haar als de jonge vrouw die ze eigenlijk was? Waarom zag niemand haar kreet om hulp?
      Ondanks het feit dat ze nu kon leven van het geld van haar man, leken de schulden zich maar op te stapelen. Ze leefde zo zuinig als ze kon, maar kon ook geen schulden bij haar man hebben. Hij hield precies bij wat ze uitgaf en zou dat ooit tegen haar gebruiken, dat wist ze zeker. Voor ze ook die schulden zou hebben afgelost, zou ze niet echt vrij kunnen zijn.
      Ze was altijd al handig geweest met haar handen. Met een vader die timmerman was en een moeder die kleuterjuf was geweest zat het in haar bloed. Knutselen, tekenen, houtbewerking... Ze kon het allemaal. Daarom had ze besloten er wat geld aan te verdienen, zodat ze op een dag weg kon van dit oord. Haar man mocht van niets weten. Hij zou haar alleen tegenhouden, want ook hij wist dat hij haar kwijt zou zijn zodra ze niet meer afhankelijk van zijn geld zou zijn.
      "Lief, ik breng even dit pakket naar het postkantoor," zei haar man terwijl hij haar een kus op haar voorhoofd gaf. Gelaten liet ze dit teken van genegenheid over zich heenkomen. Terugvechten zou toch niet helpen. "Doe geen rare dingen, oké?"
      Ze glimlachte breed. "Dat doe ik toch nooit?"
      Haar man zag eruit alsof hij een weerwoord wilde geven, maar hij hield zich op tijd in en liep weg met de doos onder zijn arm. Zodra hij uit het zicht was verdwenen, haastte ze zich naar de zolder en haalde het houtsnijwerkje dat onder een losse plank lag tevoorschijn. Hij zou alleen nog geverfd moeten worden en zou dan klaar zijn om naar de klant te vertrekken. Ze was er best trots op eigenlijk.
      Genegen haalde ze de kwast over het beeldje heen. Zo kwam hij echt tot leven en het duurde niet lang voor ze zich kon inbeelden dat de olifant ook echt hier in de kamer aanwezig was. Heel voorzichtig zette ze met een smalle kwast de rode puntjes op de rug, steeds dichter bij elkaar. Haar olifant was wel vrij en zou dat kunnen gebruiken door een heerlijk stofbad te nemen. Net toen ze een van de laatste stipjes zette, voelde ze een kleine oneffenheid op de rug. Dat was niet mogelijk. Haar olifant zou perfect zijn. Dat was ook de reden dat ze toch even een mesje pakte om dat laatste puntje weg te werken. Wat ze alleen vergeten was, was dat de verf natuurlijk nog nat was.
      Al boenend op de verf zag ze door het keukenraam haar man weer aankomen. De doos had hij nog steeds in zijn armen, maar aan de tijd te oordelen zou hij zeker op en neer naar het postkantoor hebben moeten kunnen, net zoals hij een grote omweg had kunnen maken. Hij had vast in de kroeg gezeten en zou nu zijn dronken bui op haar afreageren. Ging het niet altijd zo?
      De olifant kon ze nog snel in het keukenkastje duwen, maar voor het mes en de laatste restjes rode verf op haar handen was ze te laat. "Ik ben er weer en ik heb een verrassing voor je meegeno-" Halverwege de zin stopte de man met praten en liet het pakket bijna uit zijn handen vallen. "Is dat bloed? Heb je je pijn gedaan? Wat is er gebeurd." Hij haastte zich naar de vrouw, maar onwillekeurig deinsde ze achteruit. Ze wilde zijn handen niet op haar lichaam.
      "Laat me met rust!" De man stak zijn handen in de lucht in overgave en bleef staan waar hij stond.
      "Het is al goed, het is al goed," fluisterde hij. "Leg dat mes maar weg. Je hebt hem niet nodig. Zo ja, heel goed. Zie je wel?" Hij keek zo ontzettend verdrietig dat ze bijna de neiging kreeg om hem in haar armen te nemen en te zeggen dat alles goed zou komen. Wat dat alles was, wist ze niet.
      "Kom maar hier. Het is al goed," bleef hij maar zeggen. Zijn ogen glansden verdacht en spontaan leken al haar gedachten weg te smelten als sneeuw voor de zon. Waarom wilde ze niet naar hem toe? Wat hield haar tegen?
      Heel langzaam legde ze het mes op tafel. De blik die hij er kort op wierp, zei haar dat hij er eigenlijk bovenop wilde duiken om wat voor reden dan ook, maar zij stond ertussen en hij hield zich in. Hij kwam niet in haar buurt. Nu was zij degene die de afstand langzaam verkleinde. Ze voelde een spanning, maar tegelijk wilde ze dit ook. Het was zo dubbel. Ze mocht hem niet, maar tegelijk was er iets aan hem wat ze niet kon benoemen, maar waardoor ze zich graag zo dicht mogelijk tegen hem aan wilde drukken.
      "Je weet het vandaag niet, hè?" vroeg hij haar. Ze hoorde de tranen in zijn stem, maar begreep de reden niet. Wat wist ze niet? "Misschien morgen weer, misschien volgende week, misschien nooit," mompelde hij. Het was duidelijk niet de bedoeling dat zij dit hoorde en ergens voelde ze zich een indringer. Troostend stak ze haar hand uit en pakte de zijne vast.
      "Weet je je naam nog?"
      Zo'n simpele vraag, maar hoe hard ze ook nadacht, het antwoord kon ze niet vinden. Het frustreerde haar en ze beet op haar lip om haar eigen tranen tegen te houden.
      "Je naam is Kathy McHarren. Je bent mijn vrouw." Ze keek hem aan, maar zag hem niet meer. Ze zag een auto die over de kop ging, witte muren van een ziekenhuis, de dokter die zei dat haar hersenen voorgoed beschadigt waren. Ze keek hem aan en herinnerende.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen