Foto bij 3.3

Drie… Twee…’ Connor hield zijn adem vast, sloot zijn ogen en zei met zijn laatste, angstige adem: ‘Eén!’ Het voelde alsof hij een duik nam, en misschien was dat wel omdat hij zijn adem inhield. Om de een of andere gekke reden was hij bang dat de vlinders door zijn mond of door zijn neus zijn lichaam in zouden vliegen en hem van binnenuit zouden verteren.
      Eli’s magische koepel slaagde erin de vlinders buiten te houden, maar Connor durfde nog steeds geen adem te halen. Bij iedere kleine stap die ze zetten – de koepel verplaatsen ging moeilijk, daarom namen ze muizenpasjes – had Connor het gevoel dat Eli’s koepel zou breken en dat ze verteerd zouden worden door de Zwarte Vloed.
      Ja, Connor had vertrouwen in Eli, maar des te meer hij vertrouwen had in zijn persoonlijkheid, des te minder vertrouwen had hij in zijn toverkunst. Eli was werkelijk één van de zwakste, meest beroerde tovenaars die hij kende. Vandaar ook dat zijn koepel niet eens geheel rond was.
      ‘Zijn we er al bijna?’ vroeg Max. Hij klonk angstig en daar was Connor blij om. Angstig betekende dat hij eindelijk de ernst van de situatie besefte.
      ‘Bijna,’ zei Eli. ‘Ik kan het deksel al zien, maar blijf alsjeblieft rustig. Als jullie me beginnen op te jagen dan…’
      ‘Daar is het deksel!’ riep Max, wijzend naar wat inderdaad de rand was van het riooldeksel dat stilaan in de koepel kwam. Een moment lang voelde Connor de vreugde opreizen, maar toen zag hij Eli’s koortsachtige blik en instinctief keek hij achterom, waar hij zag dat er een klein gatje was verschenen in de magische koepel.
      ‘Shit,’ siste Connor. Het gatje was te klein om een vlinder door te laten, maar de insecten roken de angst van het drietal en stortten zich allemaal tegelijk op die ene kleine opening, die langzaam maar zeker begon te groeien.
      ‘Eli, laat zien wat voor tovenaar je bent en breng ons naar dat verdomde riooldeksel!’ Connor wist dat hij Eli niet moest opjagen. Eli was niet gemaakt om te presteren onder druk, maar als hij nu geen haast maken, dan zouden ze allemaal sterven.
      ‘Max, ga naar Eli,’ gilde Connor. Hij wilde zijn adem weer inhouden, zijn gezicht afschermen voor de vlinders, maar op dit moment kon hij alleen maar denken dat hij Eli en Max moest beschermen, vooral Eli. Dus raapte Connor al zijn moed bij elkaar, gooide hij zijn vest uit en hield hij het in zijn hand als een zweep die klaar was om toe te slaan.
      De eerste vlinder die in een vreemde, verwarde zigzagbeweging naar binnen kwam vliegen kon hij gemakkelijk doodslaan met zijn jas voordat het insect ook maar één iemand kon bijten.
      Er was iets wat Connor opviel toen hij het dode insect naar beneden zag dwarrelen, waarna het bewegingsloos op de grond bleef liggen. Hij zou er niet zo lang naar moeten staren. Hij wist dat het pure tijdsverspilling was, dat hij slechts één glimp nodig had gehad om het vast te stellen. Maar hij kon zijn blik simpelweg niet afwenden omdat hij zo aangedaan was; aangedaan door de rode lijnen die als bliksemschichten over de zwarte vleugels van de vlinders liepen.
      Rood. Geen groen. Rood.
      ‘Connor,’ gilde Eli.
      In plaats van voor zich te kijken zoals Eli had bedoeld, keek Connor achter zich, en liet hij het toen dat een vlinder hem naderde tot slechts een paar millimeter. Hij had het pas door toen het veel te laat was. Hij dacht dat hij er was geweest, dat de vlinder in één beet zijn halsslagader door zou bijten, maar voordat de vlinder daar de kans toe kreeg, duwde Max Connor omver en plette hij de vlinder tussen zijn handen.
      ‘We zijn bij het deksel!’ riep Eli plotseling vreugdevol. En door dat kleine moment van vreugde verloor Eli zijn concentratie en liet hij het toe dat het gat opeens groter werd. Een dozijn van vlinders slaagde erin naar binnen te komen voordat Eli het gat weer smaller kon maken.
      ‘Hef dat stomme deksel op en maak dat je weg bent,’ riep Connor. Hij begon met zijn jas om zich heen te slaan in de hoop de vlinders uit de buurt van Eli en Max te houden, maar slaagde niet meteen in zijn opzet.
      Ondertussen was Eli al in het riool verdwenen en was Max even te hulp gekomen om de vlinders af te slaan.
      ‘Weg jij,’ siste Connor. Hij duwde het kind in de richting van het riool. ‘Ga naar Eli, ik kom zo,’ zei hij. Daarna, op een luchtigere toon en met een brede grijns: ‘Als jij niet snel in dat riool verdwijnt, zijn de vlinders niet de enige die met mijn jas te maken zullen krijgen.’ Max knikte en sprong naar beneden, terwijl Connor zo goed en zo wel mogelijk de weg vrijhield.
      Hij had eerst alle vlinders willen doodslaan, maar ze waren opeens met zoveel dat hij geen andere keuze zag. Hij nam het deksel, hield het boven zijn hoofd, sprong in het gat en slaagde erin het perfect af te dekken met de deksel. Hij was zo trots op zijn geweldige reddingsactie en zijn prachtige sprong dat hij een moment lang vergat hoe serieus de situatie was. Eli was degene die hem terugbracht naar de zwarte realiteit van het duistere riool.
      ‘Is iedereen oké?’ vroeg Eli.
      Zelfs in het donker zag Connor hoe Max over zijn arm bleef vegen. ‘Max, ben je gebeten?’
      ‘Het is maar een schram,’ zei hij.
      ‘Een beet kan geen kwaad,’ viel Eli bij.
      Connor was daar niet zo zeker van. Hij had nog nooit iemand gezien met slechts één beet, dus hij had geen idee of het gevaarlijk was. Voor nu besloot hij er geen drama van te maken en gewoon af te wachten. Wie weet maakte hij zich zorgen om niets.
      ‘Dus,’ begon Eli, die altijd zo mooi de hele situatie samen kon vatten, ‘nu is het enige wat ons te doen staat terug naar Yangarië gaan, de koning waarschuwen, zorgen dat Rowan uitgeschakeld wordt en genieten van ons verdere leventje.’
      ‘Het is niet zo simpel,’ zei Connor. Hij was niet graag de brenger van slecht nieuws – nog een reden waarom hij geen koning wilde worden – maar nu moest hij het wel kwijt.
      ‘Hoezo?’ vroeg Max zo onschuldig dat er een steek door Connors hart ging.
      ‘Het is niet Rowan.’
      Eli lachte. ‘Goede grap.’
      ‘Het is geen grap,’ hield Connor vol. Hij haatte het wanneer hij serieus probeerde te zijn en Eli het afdeed als grap. Dat maakte alles onnodig moeilijk.
      ‘Connor, er is letterlijk maar één iemand die de gave heeft om…’
      ‘Er moeten twee personen zijn die het kunnen,’ onderbrak Connor hem. ‘Rowan heeft zijn gave van zijn vader geërfd. Ik vond het al vreemd dat het vlinders waren in de plaats van vogels, maar dat is mogelijk, oké? Ik weet dat het mogelijk is om een Zwarte Vloed te maken met andere diersoorten, maar wat niet mogelijk is… Het is de kleur, Eli. Het is rood, Rowan is groen. Je kunt de kleur van je magie niet manipuleren. Zijn vader was groen en hij is ook groen. Het is gewoon…’
      ‘Rowan is een héél sterkte heks, Connor,’ zei Eli. ‘Ik zou niet zo snel zeggen dat hij iets niet kan als ik jou was. Ik zou me nog geen zorgen maken, oké? Zorgen zijn nergens goed voor. En of het nu Rowan is of niet; we moeten sowieso naar huis om iedereen te waarschuwen.’
      ‘Denk je echt dat Rowan zijn kleur kan manipuleren?’ vroeg Connor twijfelachtig.
      Eli knikte. ‘Rowans kracht is bijna onuitputbaar. Het is altijd aannemelijker dat hij iets wel kan dan dat hij iets niet kan.’
      ‘Maar hij zit vast…’ sprak Connor tegen.
      ‘Je hebt je positie afgestaan aan iemand zonder verstand van zaken. Het zou me niet verbazen als Rowan daar gebruik van heeft gemaakt in zijn eigen voordeel – en in het nadeel van deze wereld.’ Connor voelde een steek van schuld door zijn maag gaan. Omdat Eli gelijk had. Omdat Rowan het zomaar eens gedaan zou kunnen hebben.
      Omdat het zijn schuld was.

Reacties (3)

  • Long

    Oh god...

    4 jaar geleden
  • Value

    wow dit is spannender dan ik dacht! (:

    4 jaar geleden
  • JamesPotter

    Ik wist het dat Rowan de Zwarte Vloed had veroorzaakt! Maar wie is de tweede?

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen