2008



Hoofdstuk 1.1

Ik was met moeite op het vreemde rare matras gekropen. Zodat het geluid van mijn zware ijzeren kettingen de kamer niet steeds vulde. Mijn snikken, gesnotter en tranendal was nog steeds niet gestopt. De angst diep van binnen leek mij op te gaan vreten. Vragen waren onbeantwoord. Waarom was mijn onderlichaam, bloot. Had ik alleen mijn onderbroek nog aan, zoals mijn sokken. Zat er een grote zware ijzeren ketting rond mijn enkel gebonden?
'Stop nu maar gewoon met huilen' was Rosá haar fluisterende stem.
'Het heeft geen zin' ze schudde haar hoofd, fronste haar wenkbrauwen tot een smalle rechte lijn.
Ik keek het roodharige meisje vragend aan. Ze leek mijn blik te volgen, 'de kans is groot' stamelde ze, een hap adem nam ze, voordat ze haar hoofd weg draaide, haar schouders optrok en zich op haar matras liet vallen. 'Wat doen we hier' was de vraag die ik dan ook eindelijk durfde te stellen. Opnieuw haalde Rosá haar schouders op, 'weet ik niet' fluisterde ze. Haar ogen gleden naar het luik in het plafon.
Alsof het luik boven ons hoofd ieder moment open getrokken kon worden.
'Ontvoerd' mompelde ik stilletjes. Fronsend, ik draaide mij op mijn matras, richting het roodharige meisje Rosá. 'Ja, we zijn gekidnapt' knikte ze, een waterige glimlach sierde haar droge, gescheurde lippen. Ik fronste vragend mijn wenkbrauw op. 'H-hoelang' kwam er hakkelend over mijn lippen. 'Weet ik niet' stamelde het meisje haar rode bos haar met haar hoofd mee schuddend. 'Ik denk al een tijd' fluisterde Rosá bedenkelijk verder.
'Er was nog een ander meisje' Rosá haar vinger wees naar een andere hoek in de kelder.
Mijn blik volgde haar vinger, een derde matras, vreemd tafeltje en een emmer achter het bed, vertelde dat er nog een derde persoon moest wezen. 'Ze is gister naar boven gehaald' fluisterde Rosá zachtjes verder. Ik snapte niet waarom het meisje maar bleef fluisteren, net zoals ik naar haar deed. Misschien waren we beide wel bang voor wat er komen zou. Een knorrende maag, vertelde dat er een hongerig was.
Rosá begon haar wenkbrauwen te fronsen, zich in een bolletje te rollen en te kreunen.
'Gaat het wel' fluisterde ik haar kant in, een kreun kreeg ik als antwoordt. Twijfelend beet ik op mijn onderlip, moest ik voor hulp gaan roepen? Ik schudde mijn hoofd, hoe langer die griezels wegbleven hoe beter. Dan hoefde ik ze niet te zien. Maar ik begreep inmiddels ook, dat als mijn ontvoerders, wegbleven, ik niet te eten, drinken zou krijgen en of hebben. Ik zou wegrotten, in deze verlaten, koude, kelder. En dan was de vraag ook nog eens, hoelang?
Hoelang zou het dan duren, voordat er iemand mij misschien zou kunnen vinden.
De ruimte waarin ik mij bevond, was dood en dood stil. Boven de ruimte waar het luik zich bevond, was geen enkel ander geluid te horen. Alles leek heel erg goed, verstevigd te zijn, geen geluid drong door. 'Heb je honger' vroeg ik fluisterend, 'ja, al dagen' mopperde ze, mij een boze, giftige blik gevend. Verschrikt keek ik haar aan, mijn ogen waren iets vergroot. Nu ze zich beter naar mij had doe gedraaid, kon ik haar gezicht zien. Verschillende schrammen, beurze plekken sierde haar gezicht, haar lippen waren droog en gescheurd en haar ogen stonden dof. Alsof ze al dagen geen eten en drinken genuttigd had. Ik hapte naar adem, was dit mijn lot? Ging ik het zelfde lot als Rosá te gemoed?
'Als je niet braaf bent, gebeurt er iets ergs' knikte ze, waterig. Ineens uit het niets schoot het luik open.
'WAT' werd er door een valse, lage mannenstem naar beneden gebruld. 'PRATEN' zijn kwade voetstappen kwamen het houten trappetje af. Het duurde niet lang of de eerste 'klets' galmde al door de ruimte heen. Een snikkend geluid vulde mijn gehoor, Rosá, de man had Rosá geslagen. 'Hé kan je wel' gromde ik kwaad, waar deze boze drang vandaan kwam wist ik niet. Maar ik wist wel dat ik het beter niet had kennen roepen.
Zijn kwade, zware snelle voetstappen kwamen mijn kant in. Een angstkreet verliet mijn mond, waarop ik angstig naar achter kroop.
De man droeg een of ander vreemd masker, zijn oogkleur was grijs. Ruw greep hij mij bij mijn shirt waardoor ik nu gedwongen in het stof hing. Happend naar adem, rillend van angst, kneep ik mijn ogen samen. De eerste klappen voelde ik mijn gezicht al raken, niet veel later voelde ik de betonnen harde ondervloer, en een aantal trappen tegen mijn buik, rug en benen komen. Kreunen, piepen, gehuil verliet mijn mond.
De klappen, schoppen ebde weg, net zoals zijn zware voetstappen.
'Wie braaf is, kan iets verdienen' gromde de man, de houten trap op stappend, verliet hij de kelder, en met een luidde dreun was het luik dicht.


Comments, Feedback, Tips zijn altijd welkom

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen