Foto bij 9.1

Rowan had nog nooit zo snel gelopen. Hij had zich nog nooit zo weinig aangetrokken van de wereld rondom hem. De kreten, de smeekbedes en Connors gezeur hadden hem nog nooit zo onverschillig gelaten. Hij had het gevoel dat niets hem nog kon schelen, niets behalve River.
      Pas nu hij niet zeker wist hoe het met River ging, nu er een mogelijkheid bestond dat hij zijn leven al had gelaten of in moeilijkheden verkeerde, besefte Rowan hoeveel hij van hem hield. Zijn hart brandde op een pijnlijke manier, omdat hij alleen maar kon hopen dat River oké was, en oké zou blijven totdat Rowan hem zou vinden.
      Hij probeerde zijn gevoelens te verdringen in een poging helder na te denken, maar slaagde er niet in. Het enige wat hij kon doen, was lopen alsof het zijn eigen leven was dat in gevaar was, en Connor als een blok aan zijn been meesleuren.
      Toen ze aan de poorten van het paleis arriveerden, slaagde Rowan er weer een beetje in naar Connor te luisteren. Hij had de hele rit naar hier aan zijn hoofd zitten zeuren, maar pas nu drongen de woorden tot hem door. Misschien omdat het de woorden waren die Rowan het liefst niet had gehoord.
      ‘Mijn vader,’ hijgde Connor, die overduidelijk uitgeput was. ‘Als dit het moment is waarop we gaan sterven, wil ik het weten.’
      Rowan kon geen tijd verliezen, maar als hij het nu niet zei, zou Connor door blijven vragen en weigeren verder te gaan. Dan zouden ze nog meer kostbare seconden verliezen. Bovendien begreep Rowan Connors gevoel. Hij had het recht het te weten, net zoals Rowan de plicht had om het te vertellen. ‘Er brandt een klein, groen vuurtje in River. Dat lichtje is een deel van mijn vaders magie en, aangezien ik zijn magie geërfd heb, ook een deel van mijn magie. Ik heb River gebruikt om je vader te vermoorden, Connor. En ben daarna gewoon schijnheilig verder gegaan met mijn onschuldige toneeltje. Dat is de waarheid, de enige waarheid.’
      Geschokt zette Connor een pas achteruit. Zijn gezicht stond vol verwarring. ‘Maar… Waarom?’
      Rowan schaterde het uit van het lachen. Hij moest zijn buik vastgrijpen om zichzelf onder controle te houden en niet op de grond te vallen van het lachen. ‘Waarom? Vraag je me serieus waarom ik hem heb vermoord? Connor, doorheen heel dit verhaal ben ik altijd degene geweest die het meeste motief had. Waarom? Waarom niet is een betere vraag. Je vader heeft me opgesloten in de donkerste kerker van het paleis, hij heeft mijn vader van me afgepakt, hij heeft me mijn vrijheid ontnomen, mijn vrienden, mijn wereld, mijn leven verdomme. En jij vraagt me… waarom? Om verdomme alles wat hij me aangedaan heeft. Vanwege die vijftien jaren in duisternis. En vooral omdat ik eindelijk weer eens een kans zag om het licht te zien. Heb ik River gebruikt om je vader te vermoorden? Ja. Heb ik hem daarna gebruikt om mezelf uit die kerker te krijgen? Helemaal waar.’ Rowan had het gevoel dat hij nog eeuwen kon doordraven over hetzelfde onderwerp, maar zijn woorden waren op.
      Connor haalde uit met zijn vuist, maar Rowan kon zijn arm met alle gemak stoppen. Het was alsof Connor niet eens probeerde hem te raken. ‘Sterf,’ mompelde hij. ‘Sterf gewoon.’ Met zijn arm die nog vrij was, klopte hij op Rowans borstkas. Het was een zachte slag, de slag van iemand wiens wereld zonet was ingestort. ‘Ga toch gewoon weg.’ Hij sloeg hem nogmaals met zijn vlakke hand, iets harder dit keer, maar nog steeds niet hard genoeg.
      ‘Wat ga je doen, Connor? Je kunt me niet vermoorden en je kunt me niet aanvallen. Ik ben sterker dan jij, en sterker dan jij ooit zult worden.’ Rowan liet Connors pols los en zag hoe hij op zijn billen viel. ‘Heb je me gemanipuleerd? Heb je iedereen hier gemanipuleerd?’
      Rowan keek weg. De vraag maakte hem ongemakkelijk. ‘Niet heel erg veel. Een beetje maar, in het begin.’ Hij slikte en voelde zijn wangen rood kleuren. Dit was precies waarom hij de waarheid haatte; hij schaamde zichzelf ervoor. ‘Ik wilde gewoon gelukkig zijn,’ probeerde hij zichzelf te verdedigen, maar hij wist dat dit keer hij degene was die in de fout was gegaan.
      ‘Ben je gelukkig?’ zei Connor met een triestige glimlach, alsof Rowans geluk het enige was wat dit alles nog goed kon maken.
      ‘Het was een poging.’
      ‘Als je toch al iedereen gemanipuleerd had, kon je net zo goed River manipuleren om op je verliefd te worden. Dan was je misschien wel gelukkig geweest.’ Connor zweeg. ‘Misschien.’
      ‘Zo werkt liefde niet,’ zei Rowan. ‘En ik wil niet dat mensen van me houden omwille van mijn magie. Daarom heb ik mijn magie ook alleen in het begin gebruikt. Ik wilde gewoon dat ze me niet meer zo lelijk zouden aankijken. Dat was alles. Maar het maakt niet uit, het was toch niet echt.’ Rowan hurkte bij Connor neer en trok hem overeind. ‘Komaan,’ zei hij met een dringende stem. ‘We moeten de rest zoeken. Iedere seconde die we hier verliezen is en seconde die zij kunnen gebruiken.’
      Ze kwamen terug in beweging en Rowan was opgelucht dat Connor hem volgde zonder al te veel te zeggen. Hij weende en moest de tranen constant uit zijn gezicht vegen, maar hij was er wel en na een paar minuten kon Rowan hun pas zelfs versnellen, zodat ze door het kasteel raasden als twee inbrekers in het midden van de nacht. Alleen was het geen nacht; het was een stel mensetende vlinders die alleen maar de schijn hadden van een zwarte leegte.
      ‘Kun je iemand opsporen?’ vroeg Connor plots.
      Rowan schudde zijn hoofd. ‘Ik weet niet wat het is, maar…’ Plotseling schoten Rowans ogen open. Hij wist niet of hij het zich inbeeldde of niet, maar hij dacht in die zwarte massa een witte bol te zien. Snel rende hij naar het witte licht toe, terwijl hij Connor vooruit trok.
      Hij had gelijk gehad. Na een paar meter stonden ze recht voor het witte licht. Het was precies de persoon die Rowan had gedacht hier aan te treffen: Laila.

Reacties (2)

  • Long

    Go Rowan tbh.

    3 jaar geleden
  • Value

    laila the bad witch?? xp

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen