Foto bij (Too much) Heaven on their Minds

Listen Jesus to the warning I give
Please remember that I want us to live
But it’s sad to see our chances weakening with ev’ry hour
All your followers are blind
Too much heaven on their minds
It was beautiful, but now it’s sour
Yes it’s all gone sour
God Jesus, it’s all gone sour


- Heaven on their minds (x), Jesus Christ Superstar
Andrew Lloyd Webber & Tim Rice

Ook drie jaar na dato kan Judas zich het moment dat hij de zoon van God voor het eerst ziet nog met perfecte helderheid voor de geest halen. Het is eigenlijk geen memorabele dag: er staat een gek te roepen in de shuttle bay. Hij draagt of een lange badjas, of een erg pluizige jurk, en het lijkt alsof hij en de almachtige aanwezigheid waar hij over predikt allebei nog nooit van een schaar hebben gehoord, zo lang draagt hij zijn haar en baard.
      Er zijn wel meer van dit soort types in de ruimte. Ook in een tijd van harde wetenschap en technologische vooruitgang blijft de mens een klein, bang wezen. Sterren en zwarte gaten en eindeloos, doodstil niets zijn niet de meest geruststellende buren. En toch, ondanks het feit dat iedereen het al honderd keer moet hebben gehoord - toch staat er een kleine menigte om deze badjasdrager heen.
      Judas’ fout bestaat uit het feit dat hij te lang blijft staan. Hij heeft niet door dat hij naar voren migreert door het publiek, of dat hij een van de weinigen is die nog overblijven, tot de man die zich Jezus noemt opeens zijn hand uitsteekt. “Wat is je naam, mijn vriend?”
      “Judas Iskariot,” zegt Judas, en dat is het moment waarop zijn misstap wel tot hem doordringt. Dat is ook het moment waarop het al veel te laat is. De hand die hij Jezus heeft gegeven wordt gegrepen en niet geschud, maar gewoon vastgehouden, terwijl Jezus naar hem glimlacht en hem recht in zijn gezicht aankijkt. Judas kan het voelen, een diepe zekerheid in zijn botten of zijn hart of misschien die ziel waar Jezus zich zo druk om lijkt te maken: welke kant dit ook op gaat, zijn dagen als een vrij man zijn geteld.

12.
Hoe langer Judas hem bestudeert, hoe meer Jezus van Nazareth op een gek lijkt, zij het een briljante. Hij praat over een hogere macht en goddelijkheid in de letterlijke betekenis van het woord en roept iets over vrede en broederschap, en het klinkt als het gezever van een man die de echte wereld zo zat is dat hij toevlucht zoekt in alcohol en hallucinaties.
      Alleen drinkt hij nooit meer dan een glas wijn bij het eten, en als hij hallucineert, heeft hij zijn verhalen onmogelijk goed uitgewerkt. Zelfs de beste oplichter kan geen water in wijn doen veranderen op moleculair aantoonbaar niveau, ook niet een drietal millenia na het begin van de jaartelling.
      Ze zijn met z’n twaalven, de discipelen. Peter, Andreas, Simon, de twee Johns, Judas zelf en nog eens een half dozijn anderen. Ze zijn een minderheid in een sterrenstelsel met miljarden levende wezens, maar het voelt zelfs dan, helemaal in de beginperiode, al niet alsof dat ooit zo kan blijven. Jezus heeft een stem waar mensen naar luisteren. Hij heeft een boodschap van vrede en liefde die hij beweert te hebben gekregen van niet zomaar een god, maar dé God, en een manier van vertellen die zelfs de grootste scepticus aan het twijfelen brengt. Judas kan het weten.
      Jezus neemt de discipelen aan om zijn verhalen met ze te delen, om hun kennis te vergroten en om ze boven zichzelf uit te laten stijgen, maar Judas heeft niet het gevoel dat hij zich verheft op het moment dat er een messias in zijn leven verschijnt. In tegendeel - Judas doet exact het tegenovergestelde. Judas valt, snel en hard.

11.
Elf is het aantal apostelen dat niet halsoverkop verliefd is op Jezus. Het is het aantal apostelen dat geen buitengewone moeite moet doen om op Jezus’ woorden te letten in plaats van zijn lippen, en dat ’s nachts niet die vreselijke mantel van Jezus’ schouders laat glijden en zachte woorden tegen zijn huid prevelt. Die woorden zijn beloften. Ze geven Judas het gevoel dat zijn hart tussen hen in op de witte lakens ligt te bloeden, maar Jezus beantwoordt ze met een glimlach en een kus, en dat is heel wat bloedvergieten waard.
      Elf is het aantal apostelen waar Judas, als hij een beter man was geweest, medelijden mee zou hebben gehad. Ze weten niet wat ze missen.

10.
Tien is een compleet en perfect nummer. Hun bezoek aan Alfa 10, waar Jezus zijn grootste en meest verrukte menigte tot nu toe weet te trekken op het platform richting zusterplaneet Omega, is de eerste keer dat Judas zich herinnert waarom zoveel van de namen van zijn nieuwe vrienden hem vaag bekend voorkomen.
      Een oude man gooit een boek naar Jezus terwijl hij spreekt. Geen pad of stickje, maar een echt, papieren boek, alsof ze nog in de steentijd zitten en er zomaar overal bomen groeien. Peter en Simon dwingen de gek, de echte gek, om verder te lopen, maar het geworpen boek blijft op de zilverkleurige vloer liggen. Judas pakt het op voordat iemand erop kan gaan staan.
      Het is niet erg groot voor een boek. De Bijbel, staat erop. Er is geen schrijver of jaartal genoteerd. Judas slaat een paar pagina’s om - tien, toevallig - tot hij een naar gevoel krijgt en het in zijn zak laat glijden voor later.
      Later is hij echter te druk bezig met andere dingen, zoals voedsel verdelen onder werkeloze schepenbouwers of Jezus en hoeveel onnodige kleren de man draagt en hoe irritant het eigenlijk is om zelf kleren te dragen. Hij heeft te veel aan zijn hoofd om nog veel stil te staan bij de namen die hij op het papier zag.

9.
Gods heilige geest telt negen vruchten - liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, vertrouwen, zachtmoedigheid en matigheid. Judas weet dit. Hij weet ook vrij zeker dat zijn eigen geest volkomen dor en vruchteloos moet zijn op de dag dat Maria zich bij hun reizende gezelschap aansluit.
      Hij houdt het ongeveer een week vol tot hij zijn bezwaren niet meer voor zichzelf kan houden. Er reizen meer mensen met ze mee, en ook meer vrouwen, en ook meer vrouwen met hetzelfde beroep als Maria, maar Maria kent haar plaats niet. Ze blijft niet achter de onzichtbare lijn. Ze zoekt actief contact met de discipelen, maar met Jezus in het bijzonder, en ze biedt aan hem in te smeren met peperdure zalf voor het oog van iedereen.
      Jezus accepteert haar aanbod.
      Judas wil de talrijke redenen dat hij hier bezwaar tegen heeft toelichten op een kalme, rationele manier, zo verwoord dat mensen niet om zijn logica heen kunnen. Hij wil spreken met die overtuigingskracht die Jezus heeft in zijn speeches. Het zou niet moeilijk moeten zijn: als ze die zalf hadden doorverkocht, hadden ze een klein dorp kunnen voeden.
      Hij is echter niet Jezus, bij lange na niet. Zodra ze Maria zien vertrekken, opent hij zijn mond en vallen de woorden die hij in zijn eigen hart wilde bewaren naar buiten. “Ik snap niet dat je haar zo over je heen laat hangen.”
      Peter stoot hem aan. “Hé, joh.”
      Wat Peter doet of vindt kan hem echter weinig schelen. Belangrijk voor hem is Jezus’ mening - Jezus, die hem niet eens aankijkt, die zijn ogen heeft gesloten en hem volkomen lijkt te negeren.
      “Ze is een hoer,” merkt hij op.
      Dat trekt wel Jezus’ aandacht. Judas voelt zich een klein kind dat een woedeaanval simuleert puur voor een paar seconden in de spotlight. Een moment lang is het een goed gevoel, want hij is succesvol. Het werkt.
      “Laat haar met rust, Judas,” zegt Jezus vervolgens. Hij is kalm, alsof dit maar een klein ding is, een mild ongemak.
      Negen staat voor meer dan Gods streefdoelen. Negen staat ook voor goddelijke compleetheid en eindes, zoals er op die dag een einde komt aan Judas’ arrogante idee dat hij Jezus voor zichzelf kan houden. Het is compleet. Compleet egoïstisch, zo niets anders.

8.
Acht is het cijfer van Jezus. Acht staat voor nieuw begin, en acht is het nummer dat eindeloos lijkt, vooral als je het op zijn zij draait. Acht is hoe het voelt wanneer Judas na dagen die hij niet heeft durven te tellen weer de moed bijeendrinkt om op Jezus’ hoteldeur van deze week te kloppen, waar een glanzende acht precies op ooghoogte voor hem hangt. Hij staart ernaar tot het cijfer opeens verdwijnt, en dan staart hij naar Jezus, met zijn eindeloze blik en onmetelijke belang voor het universum en de eeuwige gevoelens die hij uitlost in Judas. Judas staart niet al te lang, want er moeten voor een gewone sterfelijke zoals hij ook nog dingen overblijven die minder oeverloos zijn. Hij is niet Jezus en kan niet over water lopen; hij verdrinkt zonder houvast.
      De lakens op Judas’ eigen bed, ergens ver weg in een andere kamer, blijven die nacht volkomen onberoerd.

7.
Judas is een mens. Judas heeft twijfels.
      Jezus is ook een mens, maar Jezus is een mens die tevens de zoon van God is. Hij verjaagt zeven demonen uit Maria Magdalena, voert zeven wonderen uit op de Sabbatdag en wekt een zevenjarig meisje weer tot leven. Hij omhelst de huilende moeder alsof haar dochter weer naar haar terug laten keren een vanzelfsprekendheid is. Dat is het voor hem ook, want Jezus is het soort mens met nog geen ons slechtheid in zijn lichaam.
      Zeven is het nummer van perfectie, en Judas heeft veel twijfels, maar nooit daarover.

6.
Het meest recente wonder, dat met het kleine meisje, heeft Jezus een publiciteitsboost gegeven zoals nooit tevoren. Het is een aantoonbaar, onverklaarbaar mirakel, dat binnen de kortste keren trendt op alle sociale media op planeten in het halve sterrenstelsel.
      Dat is een goed ding, in theorie. Het zorgt het ervoor dat Gods boodschap wordt verspreid. Het overtuigt mensen die meer bewijs nodig hebben dan een vriendelijke glimlach en een handdruk.
      Het is echter ook een van de meest angstaanjagende tijden uit Judas’ leven, want in de praktijk trekt het niet alleen aandacht van mensen die nog een zetje nodig hadden, maar ook van de huidige machthebbers - mensen voor wie het maar al te gemakkelijk is om Jezus en zijn aanhang een grotere zet te geven, en niet met goede bedoelingen om ze op het rechte pad te krijgen.
      Er komen zes Romeinse wachters langs. Ze vragen Jezus zes keer te bewijzen wie hij is. Zes begint te voelen als een duivels getal.
      Ze hebben hun papieren op orde, dus de autoriteiten kunnen hen voorlopig niets doen zonder er een schandaal van te maken, maar het laat een onrustig gevoel achter bij Judas. Misschien gaat het allemaal iets té snel, is het te veel, zijn ze te ongeremd. Hij wil niets liever dan dat Jezus en God de erkenning krijgen die ze verdienen, maar ondertussen mogen ze niet vergeten dat ze in een bezet sterrenstelsel wonen, overgeleverd aan de wenken van de Romeinen zolang ze in hun gebied verkeren.
      Judas probeert het onderwerp subtiel onder de aandacht te brengen. Hij vraagt Jezus of ze het geld voor dure catering bij een feest niet beter zouden kunnen besparen, waarop Jezus wil weten of Judas denkt dat ze de middelen hebben om alle armoede in het universum uit te roeien. Judas probeert te suggereren dat ze extravagante uitspattingen moeten beperken om onder de rader te blijven, en Jezus zegt dat hun toekomst in Gods handen ligt. Al Judas’ pogingen mislukken, want Jezus lijkt hem haast opzettelijk verkeerd te begrijpen, keer op keer.
      Zes staat voor menselijke zwakte, de misdaden van Satan en de zonde. Mensen werden gecreëerd op de zesde dag en Judas kan begrijpen waarom. Hij voelt zich zelden meer menselijk dan die zaterdag, tijdens het veel te dure feest. Jezus schudt de hand op zijn schouder af om met een vrouw te smoezen die overweegt bergen credits te doneren, en Judas blijft alleen achter.
      Hij moet een erg rare blik op zijn gezicht hebben, want Maria staat opeens naast hem. Ze heeft een haast zachte uitdrukking ergens diep verborgen onder haar smokey eyes, en draagt een blouseje dat net een knoopje te ver openhangt. De overige knopen lijken vrij zinloos, want het is hoe dan ook doorschijnend. Als Judas ook maar enigszins geïnteresseerd was in dat soort dingen zou hij zijn ogen niet los kunnen scheuren van haar decolleté. Hij heeft echter andere prioriteiten, dus hij is vrij om tegen haar te snauwen.
      “Wat wil je?”
      “Hij maakt mij ook doodsbang,” is haar enige uitleg. Judas grist de fles alcohol uit haar hand en slaat een goed deel achterover in een paar grote slokken. Hij weet niet precies wat het is, en het kan hem niet schelen ook, maar het brandt door zijn keel. Hellevuur.
      Hij zegt de hele avond geen woord tegen Maria, zelfs al blijft ze in zijn buurt hangen. Het lijkt haar niet te deren. Ze geeft hem de fles wanneer hij zijn hand uitsteekt en neemt hem weer terug zodra hij heeft gedronken, en houdt hem met gemak bij zonder er giechelig of aanhankelijk van te worden. De enige keer dat ze lacht is wanneer hij alcohol over zijn eigen broek morst, en het is volledig duidelijk dat ze hem meer uitlacht dan toelacht.
      Judas begint haar bijna te mogen. Het geeft hem alleen maar extra redenen om kwaad te zijn wanneer hij Jezus volkomen vreemdelingen ziet kussen.

5.
Er beginnen zich menigtes te vormen overal waar ze komen. Jezus trok al langer kluiten mensen, maar dit zijn geen groepen meer. Het zijn massa’s. Jezus’ gezicht verschijnt op billboards en de zijkanten van shuttlecrafts, en de discipelen lijken soms meer werk te hebben als bodyguards dan leerlingen.
      Niets verontrust Judas echter meer dan de woorden die de uit de zeeën mensen beginnen op te stijgen. Er wordt gefluisterd over oorlog, rebellie en opstand.
      Jezus lijkt zich er niet door laten te beïnvloeden. Hij glimlacht sereen en probeert vanaf zijn podium zoveel mogelijk gulzig reikende handen te schudden, maar antwoordt nooit op directe vragen over wanneer het offensief op de Romeinen eindelijk geopend zal worden. Zelfs Simon vraagt hem ernaar, met een koortsige blik in zijn ogen, en Judas moet zich fysiek afwenden om hem niet te lijf te gaan.
      Hij heeft niets tegen een gevecht. De beelden van overwinning en glorie die worden geschilderd zijn heel aantrekkelijk, maar het lijkt alsof iedereen zijn verstand is verloren bij het horen over die luchtkastelen. Het lijkt alsof hun levens ze niets meer kunnen schelen. Erger nog - het lijkt alsof ze bereid zijn het leven van Jezus, de man die ze zeer letterlijk op handen en voeten dragen, op het spel te zetten indien nodig. Ze willen hem als hun koning, hun boegbeeld, maar als dat boegbeeld daarvoor aan stukken moet worden gehakt, schijnt dat een acceptabel offer te zijn.
      In Judas’ borstkas brouwt een verstikkend mengsel van angst en razernij. Vijf staat voor de genade van God, en Judas kan alleen maar hopen dat die hen niet zal verlaten. Het voelt als een erg ijdele hoop aan de schemerige vooravond van iets duisters.

4.
Op de vierde dag van de week creëerde God de zon, de maan en al de sterren. Om vier uur ’s nachts liggen Judas en Jezus onder die sterren, op een planeet die nog niet zo vervuild is als aarde, waar de lucht nog ingeademd kan worden en de nachthemel nog zichtbaar is.
      “Je jaagt ons allemaal de dood in met de keuzes die je maakt,” zegt Judas tegen de sterren. Hij kan de warmte van een ander lichaam naast hem voelen. Hij weet niet of hij had verwacht dat dat zou veranderen als hij zo bot was, maar hij is opgelucht dat er niets gebeurt.
      “Nee,” zegt Jezus, alsof hij alle antwoorden heeft. Het is niet zo onwaarschijnlijk als het klinkt. “Niet ik.”
      “Ben je niet bang?”
      “Om de dood te overwinnen, hoef je alleen maar dood te gaan.”
      Jezus klinkt apathisch, alsof hij een script volgt. Het kan hem niet meer schelen wat er met hem gebeurt; Judas wel. Dat is het moment waarop Judas de vreselijke, angstaanjagende waarheid inziet. De zet is aan hem. Jezus is de hoofdpersoon uit dit verhaal, maar het is nu Judas’ taak om hun pad te kiezen.
      Het is een hele tijd stil. Wanneer Jezus weer spreekt is het bijna een schok.
      “Waarom doe je het niet, Judas? Doe het dan gewoon.”
      Vier woorden. Judas weet dat hij er waarschijnlijk uitziet alsof hij al slaapt; hij weet dat die zin niet voor zijn oren bestemd was. Hij is verbaasd dat Jezus zijn hart niet hoort splinteren, maar misschien is dat iets wat wel zo geheim blijft als het bedoeld is.

3.
Judas neemt een besluit. Hij klopt aan bij Caiaphas en krijgt drie chips, elk met een compleet en perfect aantal credits. Het voelt alsof ze drie ton wegen in zijn zak, maar dat is waarschijnlijk zijn geweten dat beseft dat het is verkocht.
      Het is een deal met de duivel, maar het is voor een goed doel.
      Hij weet dat Jezus het met hem eens zou zijn als hij helder zou kunnen nadenken op het moment. Dat kan hij echter niet - zijn geest, hoe puur en glansrijk ook, is beneveld met het verslavende gevoel van zijn sterrendom. Het is Judas’ beurt om Jezus te laten vallen, een klein stukje maar, zodat hij beseft boven wat voor afgrond ze zweven.
      Judas deed iets begrijpelijks, iets goeds. Hij houdt die gedachte in zijn achterhoofd terwijl hij de Romeinen de locatie geeft waar ze Jezus zullen kunnen arresteren.

2.
Twee is een getal met te veel definities en betekenissen om te tellen. Het staat zowel voor harmonie als verdeling. Er zijn twee mensen nodig voor een huwelijk, maar ook twee getuigen om iemand te veroordelen van een misdaad. Liefde en haat zijn twee dingen die tegenover elkaar staan.
      Althans, dat was Judas’ overtuiging, tot nu.
      Hij vindt Jezus in Gethsemane. De kas is weelderig en groen en lijkt op iets uit een geschiedenisboek. Jezus ziet er zo kalm uit, zo bedaard en vergiffenisgezind, dat het Judas doet ontbranden in een storm van emoties die hij zelf niet goed kan ontwarren. Hij grijpt Jezus bij zijn schouders en weet niet of hij hem wil schudden of dichter naar zich toe trekken of onnodig waarschuwen voor wat hij al weet dat gaat komen. Hij is de zoon van God.
      Jezus kijkt hem recht aan, net als op die eerste dag, maar er is iets veranderd. Nu, nu ze al jaren hebben gehad om elkaar te ontdekken zowel van binnen als van buiten, kijkt Jezus alsof hij een vreemdeling ziet. Die eerste dag was het alsof ze elkaar al eeuwen kenden.
      Het is te veel voor Judas. Hij kan Jezus niet meer in zijn ogen kijken, dus kust hij hem.
      Jezus heeft voldoende compassie om erin mee te gaan, en Judas is hem dankbaar, tussen alle andere dingen die aan zijn brein en hart knagen door. Er zijn twee mensen nodig voor een kus, tenslotte, en dit voelt als een belangrijke.
      Het voelt als een einde. Het smaakt als een einde. Zout.
      “Je verraadt me met een kus?”
      Het zijn de eerste woorden die Jezus tegen hem heeft gezegd sinds hij aankwam, en het is erger dan wanneer hij een klap in zijn gezicht had gekregen. Hij laat Jezus’ schouders los alsof hij zich zou kunnen verbranden, wat niet eens meer zo onmogelijk lijkt op dit punt. Judas is zich er zeker van dat ergens hellevuur op hem wacht.
      Er is immers nog iets waar twee mensen voor nodig zijn: verraad.

1.
Zoveel getallen, zoveel dagen, zoveel zachte aanrakingen en illusies van oneindigheid - en al die tijd, maar één mogelijk einde. Één offer, één lijk, één man aan een kruis met een krans van dorens.
      Maar dit, dit is iets waar Judas inspraak in heeft. Dit is iets waarbij Judas van het netjes uitgestippelde pad kan afwijken, eindelijk, eindelijk, eindelijk. Net zoals God hem onschuldig bloed heeft doen vloeien, kan hij Hem tot hetzelfde dwingen. Of Jezus en zijn vader en de mensheid het nou willen of niet: hij kan zorgen voor twee lijken.
      Drie-twee-één-twee, precies de verkeerde kant op. De teller crasht; de wijzer van de klok bevriest; het verhaal begint opnieuw.

Reacties (4)

  • Blaeu

    aah wajo zo goed :0

    4 jaar geleden
  • Patholoog

    Holy shit!

    4 jaar geleden
  • Derks

    Kut, mijn lievelingsgetal is een duivels getal, fuck fuck fuck okay wist ik niet.

    Maar ff serieus, Inge, WHAT THE FUCK heb ik zojuist gelezen? Maar het is wel ontzettend briljaaaaaant

    4 jaar geleden
  • Frisk

    Dit is echt goed geschreven, wauw!

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen