'Hey, Steve! Hier komt 'ie!' Ik pass de bal in een rechte lijn naar Steve, zodat hij hem makkelijk aan kan nemen. Maar hij kijkt geen moment naar de bal en staart verbaasd de brug op.
'Wat is er aan de hand?' We rennen met zijn allen op hem af en gaan om hem heen staan. 'Waar kijk je naar, Steve?' Ik volg zijn blik de brug op en laat verward mijn mond open vallen. Er staat een jongen op de brug. Hij heeft een rood-wit vest aan met daaronder een zwart shirt. Maar ik herken hem door de blauwe bril, die hij draagt. 'Dat is toch Jude? Wat doet hij hier?' Mark haalt zijn schouders op en fronst zijn wenkbrauwen. 'Ik weet het niet. Misschien wil hij ons succes wensen voor morgen?'
'Oja!' Roep ik vrolijk. Maar de anderen slaan hoofdschuddend hun handen tegen hun hoofd en zuchten diep. Ik hoor zelfs Adèle zuchten. Was het dan echt zo'n stom idee? Want in dat geval wil ik er op terugvallen, dat Mark zei dat Jude daarvoor gekomen zou kunnen zijn en ik niét!
'Als hij dat al zou willen doen, heeft hij daar morgen alle tijd voor,' zegt Axel kalm en hij slaat zijn armen over elkaar heen, waarna hij Jude rustig zijn rug toekeert. Ik loop naar Mark toe en tik hem op zijn schouder. 'Kom. Dan gaan we gewoon even aan hem vragen wat hij hier doet. Dat is beter dan dat we hem maar gewoon wat aan staan te staren. Of niet, jongens?' Iedereen knikt langzaam, waarna Mark en ik het veld aflopen.
'Jij voert wel het woord, hè Mark?'
'Is goed.'
Ik wrijf lachend door zijn haren. 'Je moet namelijk wel je verantwoordelijkheden nemen, als aanvoerder van ons team.' Mark lacht en knikt overtuigd. 'Zeker. Maar ik doe het toch prima als aanvoerder?' Ik haal onverschillig mijn schouders, waardoor Mark sip naar beneden kijkt en een pruillipje trekt.
'Het was maar een grapje,' lach ik en ik sla een arm om zijn schouder. 'Je bent een fantastische aanvoerder. Hoewel er altijd nog verbeterpunten zijn. Maar je optimisme voor het coach-probleem moet je vooral vasthouden.'
'Het spijt me daarvoor.' Mark en ik kijken verbaasd op. Jude is naar óns toegekomen. Hij komt voor ons staan en steekt zijn handen in zijn zakken. 'Het spijt me voor het gedoe met meneer Wintersea. En ook voor dat met Bobby Shearer.'
'Ohw... Dat geeft niets. Maak je daar maar geen zorgen om,' zegt Mark glimlachend, als hij het veld op kijkt naar onze teamgenoten. 'Het gaat goed met Bobby. Hij is dol op voetbal en dat is het enige dat telt.'
Jude buigt zijn hoofd naar beneden en glimlacht zwak. 'Ik ben echt jaloers op jullie.' Mark en ik fronsen onze wenkbrauwen en schudden ons hoofd. 'Hoezo? Wat bedoel je? Waarom zou jij, de aanvoerder van het beste team van de afgelopen 40 jaar, jaloers op ons moeten zijn?'
Jude zucht diep en draait zijn hoofd ook naar het veld toe. 'Vergeleken met jullie zijn wij allemaal maar...' Hij schudt kort zijn hoofd. 'Laat ik het zo zeggen: Royal is het allerbeste team door de orders van onze commandant en niet door onze talenten.'
'Wat?!' Ik trek mijn wenkbrauwen omhoog en Mark maakt met zijn armen een zo-is-het-genoeg gebaar. 'Je weet dat dat niet waar is!'
Jude balt zijn handen tot vuisten en staart de lucht in. 'Om aan de top te blijven, was ik van plan om alleen maar het beste uit mezelf te halen. Maar weten jullie wat het is? Het enige dat ik tot nu toe heb gedaan, is een soort van loze overwinningen behalen.'
'Dat is niet waar! Dus houd daar mee op!' Roept Mark hard, als hij naar Jude toestapt. Niet dat Jude naar Mark luistert. Hij lijkt er alleen maar bozer van te worden. 'Ach! Wat weten jullie daar nu van? Jullie hebben geen idee!'
Mark slaat zijn armen over elkaar heen en steekt zijn neus in de lucht. 'Ik weet heel veel, hoor-'
'Van voetbal, ja,' mompel ik zacht en Mark duwt me een beetje weg, waarna hij weer naar Jude kijkt. 'Luister, Jude. Ik heb super veel van jullie schoten op me afgevuurd gekregen. Jullie hebben een sterk team.' Hij klopt op zijn borst en lacht. 'Mijn handen en mijn lichaam weten daar alles van.'
Jude glimlacht na die paar woorden al snel weer. 'Ik kijk er naar uit om tegen jullie team te spelen.'
'Mooi. En ik zal je laten zien dat we een veel beter team zijn dan eerst,' zegt Mark overtuigd en ik knik instemmend. 'Mark heeft gelijk. We zijn wel tien keer zo goed als eerst. Alhoewel daar niet zo heel veel voor nodig was.'
'Geloven jullie werkelijk dat jullie mogen meedoen?'
'Ach,' mompel ik en ik lach. 'Dat coach probleem lossen we wel op.'
'Dat zou ik dan maar snel gaan doen. Want het duurt niet meer zo lang voordat het morgen is. Succes en tot morgen.' Dan draait hij zich om en steekt hij zijn hand nog een keer in de lucht. Mark en ik springen vrolijk omhoog en zwaaien wild met onze handen heen en weer. 'Tot morgen, Jude!' Hij draait zich nog even om en schudt dan grijnzend zijn hoofd. Waarschijnlijk omdat Mark en ik te enthousiast naar zijn rug aan het zwaaien zijn.
Zodra Jude helemaal uit ons zicht is verdwenen, pakt Mark meteen mijn schouders vast en rammelt hij me door elkaar. 'Manou! We moeten een nieuwe coach vinden! En dat gaan we nu doen.'
'Nu?' Ik kijk hem vragend aan en Mark knikt hevig van wel. 'Ja. Nu, Manou. Schiet op. We hebben geen tijd te verliezen.' Hij wil me al meetrekken. Maar ik maak me los en doe een stap achteruit. 'Hey. Hey. Doe eens rustig, jij. Waar is dat optimisme gebleven?'
'Manou! Daar gaat het nu toch niet om? We moeten gaan!' Mark pakt me bij mijn schouders vast en duwt me vooruit.
'En wat doe je nu dan met je teamgenoten?' Vraagt Adèle. 'Moeten jullie die niet zeggen waar jullie heen gaan?'
Je hebt gelijk!
Ik zet me gelijk schrap en draai me om. 'Ik ga even tegen iedereen zeggen wat we gaan doen. Ik ben zo terug.' Ik ren snel terug naar het grasveldje boven het trainingsveld en zwaai naar de jongens. 'Wij gaan een coach zoeken! Maak jullie maar geen zorgen, wij gaan het oplossen! En train vooral verder! Doeg!' Ik zwaai weer en ren dan snel weer terug naar Mark. 'Het is oké, denk ik. Maar laten we nu snel een nieuwe coach gaan zoeken!'
'We vragen het nog eens aan die oude man in de noodlelzaak!
'Wacht eens even.' Geschrokken stoppen Mark en ik meteen met rennen en kijken we geschrokken achterom.
Achter ons staat een man. Met bruine haren en een grijze baard. Hij draagt een grote, lange bruine jas met een lichtgeel shirt eronder. Ik herken hem eigenlijk niet. Volgens mij heb ik hem ook nog nooit gezien.
'Jullie zijn Mark en Manou Evans, hè?' Mark en ik knikken en gaan nog een stapje achteruit staan. 'En wie bent u?'
De man pakt iets uit zijn zak en klapt het voor onze neus open. 'Lees maar.' Ik laat mijn ogen over het papier gaan.
'Detective Smith,' mompelen Mark en ik tegelijk, waarna we verbaasd in de lucht springen en naar hem wijzen. 'Bent u een detective?!' We bekijken het kaartje nog een keer en laten dan onze mond open vallen. 'Dat is zo gaaf. Is het leuk-'
'Om een detective te zijn?' Maak ik Marks vraag af.
'Vragen mogen later. Zou ik jullie even kunnen spreken?'
Mark en ik kijken elkaar even aan en knikken dan braaf naar de man. 'Natuurlijk, meneer.'

Reacties (2)

  • Duendes

    N'awh Jude...
    Hun reactie op een detective is zó me hahahah geweldigxDniet van: "wat moet hij van ons?" Maar "WOW EEN DETECTIVE DAT IS ZO COOL!"

    1 jaar geleden
  • Samanthablaze

    Awh Judey

    1 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen