Foto bij 10.4

Dode vogels vielen uit de lucht, even levenloos als bakstenen. De mensen die nog niet gedood waren door de Zwarte Vloed of Rowans Vloed daarna, liepen het risico gedood te worden door hun zwakke daken die het begaven onder het immense gewicht van dode vlinders en dode vogels. Niemand wist precies hoeveel mensen de Zwarte Vloed hadden overleefd, Rowan gokte – als hij het heel positief bekeek – op een honderdtal mensen. Hij was zeker van vier levens – drie, aangezien hij niet zeker wist of hij Eli mee kon rekenen als mens.
      De regen van vogels raakte ook Rowan. Hij voelde hun lichaampjes neerkomen op zijn hoofd en op zijn schouders. Ze voelden slap en vies en ze roken naar de dood die ze hadden verspreid – die hij had verspreid.
      Hij kon niet geloven wat hij had aangericht.
      Hij kon niet geloven dat hij Connor had vermoord.
      Hij zette een wankele stap achteruit, weg bij Connors lichaam dat gek genoeg gespaard bleef voor de vallende vogels. Het was alsof hij één of ander heiligdom was; een nieuwe Jezus die nooit had moeten sterven.
      Rowan had zich nog nooit zo schuldig gevoeld. De schuld verteerde hem zo erg dat hij amper nog kon ademen. Hij moest naar zijn hart grijpen omdat hij vreesde dat zijn lichaam zo fel zou samentrekken dat zijn hart geklemd zou komen te zitten. Zijn handen trilden; zijn kaak tilde; zijn lichaam trilde. Hij probeerde adem te halen, maar het was alsof hij terecht was gekomen in een zwembad met een giftige stof. Of nee, het was eerder alsof hij vergiftigd was en dat gif nu heel langzaam begon in te werken, waardoor hij steeds meer en meer afzag.
      Hoe langer hij naar Connor staarde, hoe erger het werd. Na een tijdje – een minuut? Een uur? Wie zou het zeggen – zag hij niet langer Connors lichaam. Hij zag vreemde, groene vlekken die dansten voor zijn zicht en stilaan de wereld verorberden zoals hij de wereld had verorberd.
      Hij weende, sloeg één luide kreet en viel op zijn billen. Hij wilde zichzelf oprollen tot een klein kind in een foetushouding dat zich probeerde te beschermen van de wereld rondom hem, maar hij kon zich niet beschermen.
      Hij keek naar Eli, die bij Connor neerknielde en tegen hem sprak, eisend dat hij terug moest komen. Hij zou niet terugkomen. Niet nu, niet in de toekomst. Rowan had hem vermoord, zoals hij vele andere mensen had vermoord.
      Nu Eli zich over Connor had gebogen, beging Rowan een poging tot vluchten, maar na tien meter kwam hij een ongewenst obstakel tegen: Max. De jongen keek hem aan met grote, bange ogen en kreeg maar één ding over zijn lippen: ‘Rowan…’ Het was een vragend geluid dat verlangde naar een verklaring, het grote ‘waarom?’ van het hele gebeuren. Waarom stierf Connor? Waarom werd Rowan gek? Waarom liet River het leven? Waarom sloeg de Zwarte Vloed opeens zo snel toe? Waarom konden we niet gewoon allemaal gelukkig zijn?
      Rowan had geen enkel antwoord, en hij kon Max niet langer verdragen. Dus legde hij zijn hand op zijn hoofd, koppelde hij iets los in zijn hersenen en liet hij de jongen op de grond vallen. Daarna liep hij verder, met benen die aanvoelden als spaghettislierten, alsof alle kracht uit zijn lichaam was gezogen. Zelfs iemand die zonet een marathon had gelopen zou meer energie hebben dan hij. Hij was gebroken, fysiek, maar des te meer mentaal.
      De insectenlichamen kraakten onder zijn voeten, net zoals af en toe de botten van een paar vogeltjes, of zelfs een paar lijken, Rowan had geen idee wat er allemaal verborgen ging onder het hobbelige oppervlak onder zijn schoenzolen. Het maakte ook niet langer iets uit. Zijn verwarring, zijn spijt, zijn woede en verdriet waren uit zijn lichaam gevallen, waardoor hij nu enkel verder kon gaan in een staat van emotieloosheid. Alles leek zo nietig in zijn ogen. De wereld leek er niet meer toe te doen – hij leek er niet meer toe te doen.
      Maar hij zette door, omdat hij er wel toe deed voor haar.
      Hij kwam uit in de kerkers, die nog altijd even weinig schade hadden geleden als aan het begin van de Zwarte Vloed. De gevangenen klaagden achter hun tralies, mopperden, vroegen wat er gaande was daarboven, waar de kreten vandaan waren gekomen, wie er was gestorven, of hun familie nog in orde was.
      Rowan negeerde hen en hij haatte zichzelf erom. Zijn tijden in de cel zaten nog vers in zijn geheugen. Hij kon zijn eigen geklaag nog levendig voor de dag halen, samen met het gevoel, het gevoel dat hem overviel wanneer hij wenste dat ook maar iemand oor zou hebben voor zijn smeekbedes. Hij was even gruwelijk, even hypocriet als degene die voor hem waren gekomen. Hij had geprobeerd. Dat was zijn grootste excuus: hij had het geprobeerd.
      Hij opende zijn vroegere cel en zag daar Laila zitten. Haar krachten waren terug aangedikt en ze was erin geslaagd haar stompje iets beter te laten genezen. Ze had weer wat kleur op haar wangen gekregen en de zweetdruppels waren van haar hoofd geveegd. Ze zag er nog steeds uit als een wrak, maar op dit moment was Rowan er vrij zeker van dat ze het zou overleven.
      Ze keek hem aan met de vreselijkste blik die hij die dag had gezien. Max’ vragende blik, Connors dode ogen of River die verlangde naar zijn leven… ze waren helemaal niets in vergelijking met Laila. Ze wachtte af met zoveel hoop dat zijn hart brak, omdat hij wist dat hij degene zou zijn die al haar hoop onder zijn voetzool zou pletten.
      ‘Ik heb het geprobeerd,’ zei hij. Hij voelde de tranen opwellen, al was hij er zeker van dat hij was uitgeweend. Hij durfde te wedden dat zijn tranen op waren, dat hij al zijn oogvocht had verspild aan River, maar hij bleek ongelijk te hebben. Een zoute straal liep over zijn wang. ‘Ik heb het echt geprobeerd,’ zei hij nogmaals. ‘Maar ik kon hem niet redden; ik kon helemaal niemand redden. Ik heb Connor vermoord. Ik heb zoveel mensen vermoord. Het spijt me.’ Hij zakte door zijn knieën en bedekte zijn gezicht met zijn handen. Hij wilde haar blik niet zien – hij kon haar blik niet zien.
      Hij dacht dat ze hier eeuwig zouden blijven zitten op deze manier, dat hij zijn handen nooit zou kunnen laten zakken. Ze antwoordde niet – en de stilte had nog nooit zo drukkend gevoeld. Hij wilde praten, hij wilde haar vragen wat ze voelde, of hij iets kon doen om haar te helpen, maar hij wilde het antwoord niet weten. Hij was nog nooit eerder zo bang geweest voor een gesprek.
      Plotseling werd hij ingesloten door een warmte. Hij keek even tussen zijn vingers door en zag hoe Laila zich tegen zijn borstkas drukte. Ze trok hem naar haar toe, omhelsde hem zo stevig dat hij bijna geen lucht meer kreeg. ‘Je hebt mij gered,’ zei ze. Haar stem was bijna even fragiel als Rivers dode lichaam was geweest. Zo breekbaar als glas. ‘Je hebt mij gered,’ herhaalde ze, snikkend. ‘Zeg alsjeblieft niet dat je niemand hebt gered.’
      ‘Ik kon River niet redden.’
      Ze kneep nog net iets steviger. Rowan hoorde haar wenen, hij voelde hoe haar tranen zijn T-shirt nat maakten. ‘We moeten blij zijn… dat wij nog leven.’ Laila was altijd eerder een optimist geweest, maar Rowan zag dat haar eigen optimisme haar pijnigde. Ze verlangde naar River, ze had gehoopt dat ze hem in zijn armen had kunnen sluiten in plaats van Rowan. Rowan haatte deze teleurstelling. Een seconde lang wenste hij dat hij degene zou zijn die gestorven was, en niet River.
      ‘Het spijt me,’ zei Rowan nogmaals, ‘het spijt me dat je kind moet opgroeien zonder vader.’
      Laila probeerde haar gesnik te temperen, maar faalde en huilde alleen maar nog harder. ‘Laat me niet alleen, Rowan,’ eiste ze. Het was de eerste keer dat Rowan haar op deze manier had gehoord, zo dwingend. ‘Waag het niet me hier alleen achter te laten.’
      Rowan sloeg zijn armen om haar heen en wreef over haar rug in een poging haar te kalmeren. ‘Ik zou je nooit alleen laten.’
      Met betraande ogen keek ze op. ‘Zijn er nog andere overlevenden?’
      Rowan knikte lichtjes. ‘Ik ben zeker over Max.’ Hij twijfelde even of hij ook over Eli zou praten. ‘En Eli.’
      ‘Eli…’ herhaalde Laila. Ze drukte haar hoofd opnieuw tegen Rowans borstkas, met haar oor tegen zijn hart. ‘Dat klonk niet alsof je blij was…’ – ze nam even de tijd om haar neus af te vegen met haar mouw – ‘… dat hij nog leeft.’
      ‘Hij is een kloon.’
      Rowan voelde hoe Laila’s lichaam verstijfde en nog voor ze was bekomen van de schok, zei ze: ‘Je moet hem vermoorden.’ Rowan was verrast door haar directheid. Het benadrukte de ernst van de zaak. ‘Als hij een kloon is, moet je hem vermoorden. Zielloze wezens zijn gevaarlijk wanneer ze eenmaal…’ – ze trok haar neus op en snikte voor een paar tellen – ‘… wanneer ze eenmaal gaan ronddwalen zonder meester.’
      Rowan begreep precies wat ze bedoelde, maar was toch verbaasd toen ze hem van zich af duwde. ‘Vermoord hem,’ drong ze aan. ‘Nu, voordat hij wegloopt en zorgt voor een nieuwe ramp.’ Ze duwde zichzelf overeind en hield zich vast aan de muur. ‘Ik red het wel, geloof me.’ Ze glimlachte zoals alleen een gebroken ziel kon glimlachen. ‘Ik ben een sterk meisje, en een sterke tovenares.’
      Hij wilde haar niet achterlaten. Als het moest, zou hij haar naar boven dragen, haar in bed leggen en proberen deze wereld op te kuisen, zodat ze, als ze eenmaal terug uit bed stapte, weer een mooi uitzicht zou hebben en even zou vergeten welke gruwel ze hadden overleefd. Daar gaf Laila hem echter geen kans toe. Ze jaagde hem weg zodat hij geen andere keus had dan gewoon terug naar boven te rennen en daar Eli op te zoeken. Onderweg toverde hij een zwaard in zijn hand. Het metaal had nog nooit zo zwaar gevoeld. Hij moest het over de grond slepen – hij moest zichzelf over de grond slepen. Het voelde alsof iemand een paar gewichten aan zijn benen had gebonden, maar het was enkel het gewicht van zijn eigen mentale toestand dat hem parten speelde.
      Hij bereikte Eli na een lange tocht van honderd meter. De kloon had zichzelf over Connor gebogen en snikte, terwijl hij een paar spreuken mompelde. Hij probeerde Connor terug tot leven te wekken, maar het zou hem nooit lukken; hij was te zwak, zelfs als zijn kracht afstamde van een meesteres die zo sterk was geweest als de zijne.
      Rowan werd geraakt door zijn verdriet, omdat hij wist dat een ziel niet per se een rechtstreekse verbinding had met emoties. Zelfs een zielloos omhulsel kon geluk en verdriet ervaren als hij maar sterk genoeg geprikkeld werd. Zijn verdriet was echt, even puur als Rowans verdriet, even oprecht als dat van Laila. Er was geen enkel verschil, en daardoor voelde het zwaard nog tien keer zwaarder in Rowans hand. Het ijzer was zo zwaar dat Rowan het amper van de grond kon tillen.
      Het was een mentaal spelletje; hij kon het zwaard niet optillen omdat hij het simpelweg niet wilde optillen. In Eli herkende hij zichzelf. Net zoals Rowan had de jongen zoveel jaren in gevangenschap moeten doorbrengen. Heel zijn leven had hij doorgebracht tussen de onzichtbare tralies van zijn meesteres. En nu hij eindelijk vrij was… zou hij niet eens de kans krijgen om van die vrijheid te genieten. Hij zou niet de kans krijgen om zijn eigen ziel te creëren, of om geluk te vinden. Het enige waar zijn vrijheid ooit goed voor was geweest, was het ervaren van verdriet en gemis.
      Rowan overwoog een paar seconden om hem te laten gaan. Om hem weg te sturen naar een vrij land en hem daar zijn eigen weg in te laten slaan. Maar hij hief zijn zwaard, omdat hij zijn verplichtingen had. Als hij Eli zou laten gaan, zou de Magische Raad erachter komen, dan zou Rowan opgesloten worden, dan zou Laila alleen achterblijven en dan zou Eli alsnog vermoord worden. Hij kon zijn belofte niet breken, hij moest dit doen. Voor zichzelf. Voor Laila. Voor Eli. Voor iedereen.
      ‘Ik hoop echt…’ begon Rowan. Hij slikte de prop in zijn keel weg. ‘Ik hoop echt dat je Connor daar ergens tegenkomt, na de dood.’ Hij liet zijn zwaard verticaal neerkomen op Eli’s nekwervels en doodde hem met één harde klap. Zijn ruggengraat kraakte, hij stopte met wenen en viel levenloos naast Connor neer, zijn hand nog steeds in de zijne. Er steeg geen ziel op vanuit zijn lichaam. Natuurlijk steeg er geen ziel op. Hij had nooit een ziel gehad.
      Rowan wilde zich van de scène verwijderen, maar zijn oog viel op Eli’s halssnoer, dat de kern van zijn magie was geweest. De rode magie van zijn meesteres pulseerde nog steeds door het juweel – en Rowan kon niet zeggen dat het hem geen zorgen baarde.

Reacties (2)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen