(Kaida's POV)
“Ik ben Hachi.” Ik zag gelijk aan hem dat er iets anders aan hem was. Iets waarbij ik zelfverzekerd over moest voor komen.
“Mijn naam is Kaida.” Ik dacht even na en sprak even verder. “Wat ben je? Je lijkt geen mens.” Mijn gezicht nam een serieuze blik aan. Ik kwam eigenlijk bijna niet tegen dat iemand anders was dan een normaal mens.
“Ik ben een demon.” Al zeker niet dat zulke ‘wezens’ eerlijk zijn over hun bestaan. Ik lachte.
“Blijkbaar beangstigd het je niet. Of wel?” Ik schudde mijn hoofd. En we liepen samen langs het meer een heuvel op. Het liep redelijk stijl omhoog, maar toen we eenmaal boven waren zag ik pas hoe mooi het uitzicht hier was. Je kon vanaf hier het gehele meer overzien.
Je kon duidelijk zien dat hij hier vaker kwam, hij leek echt te genieten van deze plek.
“Je komt niet van hier hè, ik heb je nooit eerder gezien.” We zaten beide langs de richel redelijk dicht bij elkaar, maar dat maakte mij niet uit.
Ik schudde mijn hoofd. “Ik kom uit Australië.”
“Voor iemand die daar vandaan komt kan je goed Japans spreken.” Zei hij weer met een scheef hoofd. Probeerde hij nou expres schattig te zijn? Ik moest er deels om lachen en zag toen dat de zon al redelijk laag begon te staan, waardoor ik geschrokken opstond. Hoelang was ik hier nu al?
“Ik moet gaan…” Hij keek mij vragend aan en stond daarna zelf ook op.
“Maar je bent er pas net?”
“Ik weet het, maar ik moet echt gaan… Ik ben al te laat.” Hachi keek ontevreden, maar liet mij gaan, waarbij ik mij snel begon te haastte richting huis.

Eenmaal thuisgekomen, vroeg mijn moeder waar ik allemaal was heen gegaan.
“Ik ging na school nog even het bos in, ik wilde graag van de natuur genieten.” Ik legde mijn tas ondertussen weer in de trappenkast.
“Was het leuk?” Ik knikte, met een bevestigend geluidje.
“Ik heb zelfs iemand ontmoet, een aardige jongen.” Mijn moeder moest er een beetje om lachen.
“Hij is een demon…” Vertelde ik terwijl ik naar de keuken wandelde, om te kijken wat we gingen eten. Ik voelde meteen dat de sfeer meteen veranderde.
“Wat?!?” Ik wist dat mijn moeder er niet zo vriendelijk op ging reageren.
“Ik keek naar het water en opeens stond hij achter mij.” Ik keek haar vanaf de keuken aan.
“Je weet heel goed wat ik heb gezegd.” Ik zuchtte, deze preek had ik al zo vaak aangehoord, ik werd er deels ziek van.
“Niet met demonen, draken of andere slechte wezens omgaan, of spreken, maar mam… Hij was echt heel aardig voor mij.” Ik keek haar aan, met deels verdrietige ogen. Het was pas één ontmoeting, wat was er zo bijzonder aan? Voor mij was Hachi slechts een vreemde.
“Geen denken aan, als je hem weer tegen komt, negeer hem. Je hebt geen idee wat voor slechts hij met zich mee kan brengen!”
“Je kan mij niet verbieden met wie ik om ga!” Ik balden mijn handen tot vuisten. Iets in mij maakte mij woedend.
“Ik ben je moeder! Je doet wat ik zeg, begrepen? Anders kom je helemaal niet meer in de buurt van die bos!” Alle woedde verzamelde zich tot één zin. Eén zin wat ik misschien niet had mogen zeggen.
“Val dood, jij kreng!” Ik rende naar boven, gelijk mijn kamer in, om verdere confrontaties te voorkomen. Eenmaal in mijn kamer nam ik de mogelijkheid mijzelf wat af te lijden met muziek. Ik stopte de oordopjes in mijn oren. En viel met de muziek in slaap.

Ondanks alles ben ik toch naar school gegaan, zonder mijn moeder ook te hebben gezien. Ik was niet in de beste stemming. Maar ik wilde gewoon naar school gaan. Tijdens de lessen was ik constant naar buiten aan het staren. Je kon vanaf hier het bos eigenlijk zien liggen. Alsof er achter al deze huizen een prachtig natuurgebied was. Natuurlijk was het prachtig.
Toen de bel ging liep ik naar de kantine, waar ik een broodje kocht. Omdat ik geen zin had thuis te blijven, had ik ook geen lunch gemaakt.
“Hoe vind je de school?” Vroeg er een meisje die opeens naast mij kwam te zitten.
“Wel leuk, maar makkelijk.” Ik keek nog steeds wat voor mij uit, omdat ik steeds moest denken aan mijn moeder en Hachi.
“Makkelijk?” Ze moest er deels om lachen, en ik knikte ja, terwijl ik een schoolboek uit de tas haalde.
Na een paar pagina’s door gebladerd te hebben wees ik haar op wat teksten aan.
“Zitten allemaal fouten in deze tekst.” Het meisje keek er naar alsof ze erover moest nadenken.
“Hoe heet je eigenlijk?” Ze leek mij ieder geval aardig. Een naam weten was misschien wel makkelijker.
“Mijn naam is Celine,” lachte ze.
“Dat is fijn om te weten,” glimlachte ik, tegelijk toen mijn mobiel afging. Ik keek ernaar en zag dat het mijn moeder was. Ik zuchtte en wilde eerst niet opnemen. Ze wist toch dat ik op school zat? Toch nam ik op.
“Hey, met Kaida.” Een stem die ik niet kende antwoorde.
“Kaida, je spreekt met de politie.” De politie? … Mijn moeder. Een gevoel kwam naar boven, een slecht gevoel. Er was echt iets mis nu.
“Is er iets gebeurd met mijn moeder?” Die vraag was overbodig, ik had het gevoel al dat er wat mis was.
“We willen dat je naar huis komt, daar kunnen we het rustig bespreken.” Ik liep naar mijn mentor toe om het te melden, en uiteindelijk overhandigde ik haar de telefoon.
“Goedemiddag u spreekt met mevrouw van Ginkel.” Het was een tijdje stil, ik kon niet echt iets specifieks horen. Ik hoorde de mentor alleen maar wat begrijpende geluiden maken.
Later gaf ze mij de telefoon terug.
“Ga maar naar huis Kaida, ik begrijp het wel.” Ik knikte, en knikte naar Celine, om vervolgens het gebouw te verlaten. Ik zuchtte even diep in en uit voor ik met mijn fiets naar huis begon te rijden, alsof het soort van de stress uitliet blazen. Ik wist dat er wat aan de hand was, hoe slecht was het?
Eenmaal thuis zag ik een politieauto en een ambulance voor de deur staan. Dat betekend inderdaad niet veel goeds.
Een politieman kwam op mij af gewandeld, en ik liet simpel mijn fiets vallen door verwarring.
“Goedemiddag, ben jij Kaida?” Ik knikte, en keek de politieman aan.
“Er is ingebroken, en toen wij eindelijk hier aankwamen vonden we je moeder dood in de huiskamer.” Ik wilde naar binnen rennen, opzoek naar mijn moeder. Maar de politieagent stopte mij.
“Laat mij mijn moeder zien! Ze is niet dood!... Dat kan niet.” Er kwamen tranen in mijn ogen.
“We hebben contact kunnen vinden met een familielid, je moeder wordt zo meegebracht naar het ziekenhuis voor onderzoek.” Ik schudde ongelovig, wild met mijn hoofd. Ze kon niet dood… Dat wist ik… Ze kon niet dood.
Ik rende uit de armen van de agent, richting het bos. En ik bleef maar rennen, en rennen. Ik zag het meer op mij afkomen, en voor ik het wist struikelde ik over mijn eigen voeten, waarbij ik in het water belandde. Ik bleef maar in het water liggen. Ik had geen intenties om eruit te komen. Ik wilde niet meer. Ik wilde alleen maar één ding: de dood.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen