Foto bij •••• Hoofdstuk 4.6


Hak zat nog maar net, enkele seconden, toen de bus begon met rijden en Sam zenuwachtig en ongemakkelijk keek naar de jongen naast haar, die enkel grijnsde bij het zien van haar gezicht. Hij keek haar nieuwsgierig aan, maar ze vermoedde dat hij al een idee had van wat haar doel was van hem op de plaats naast haar, want hij leek niet helemaal op zijn gemak. Hij leunde naar achteren, tegen de rugsteun van de stoel, legde zijn armen ertegen aan en ging comfortabeler zitten door daarna ook zijn hoofd te leggen op zijn armen. Hij sloeg zijn benen losjes over elkaar en staarde nonchalant uit het raam. Of voor zover het nonchalant te noemen was, door zijn enorme lengte nam hij veel plaats in en omdat hij zo apart zat, zoals niemand zat als hij of zij gewoon met de trein reisde, trok hij nogal veel aandacht. Het zag er daarbij totaal niet nonchalant uit, maar Sam dacht dat hij misschien wel zo probeerde over te komen. Ze keek triest naar zijn nogal gefaalde poging om enkel goed te gaan zitten in zijn stoel. Al zag hij er wel prachtig uit zo, maar dat deed hij meestal.
Sam boog naar voren, bracht haar gezicht wat dichterbij dat van hem, al waren ze nog veel van elkaar verwijdert en probeerde een poging te doen om een combinatie tussen een smekend en een zelfverzekerd gezicht op te zetten, in de hoop dat ze meer informatie uit hem kon krijgen dan dat wat hij al had gegeven.
‘Ik weet niet meer dan ik je al verteld heb,’ zei hij nog voordat ze haar mond had opengetrokken. Hij keek haar niet aan terwijl hij het zei, hij staarde gewoon uit het raam. Alsof hij dat veel interessanter vond dan Sam, en waarschijnlijk vond hij dat ook. Al was er buiten niet echt veel te zien, behalve hier en daar wat bomen en een grasvlakte. Ergens was Sam er ook wel blij om dat hij haar blik vermeed, omdat ze niet nog roder wilde worden en het , het misschien ongemakkelijker op zou maken, maar ze vond voor alsnog dat zijn blik terwijl hij praatte met haar beter was geweest. Nu leek hij haar te ontwijken en dat terwijl hij juist naast haar was gaan zitten, dat vond ze nogal vreemd. Een zucht verliet haar lippen en ze stond op, zei tegen Hak dat ze Ilse ging zoeken, al ging ze dat niet. Hij keek haar even aan met opgetrokken wenkbrauwen, maar kinkte toen, als bevestiging dat het oké was dat ze haar poging om achter meer informatie te komen nu al had opgegeven en liet haar gaan.
Sams tas voelde zwaarder dan ooit, ze sleepte hem weemoedig naar een andere stoel, niet alleen haar gevoelens waren redelijk ingedeukt, ze had gewoon een punt willen maken, ze had naar de jongen toe willen werken waar ze zich zo druk over maakte, de schim en de persoon in haar droom. Maar als Hak zo ongeïnteresseerd was, dan zou ze daar maar niet over beginnen, dus ze was totaal ontmoedigd en zou er waarschijnlijk niet snel meer over beginnen tegen iemand. Tenzij het leek alsof Ilse haar mening had bijgesteld over of de schim wel in de kamer was geweest of niet, omdat ze nu dacht van niet en dat terwijl ze ook gewoon aanwezig was geweest op dat moment… Sam zuchtte, waarom was het zo ingewikkeld? Waarom kon alles niet veel gemakkelijker, waarom kon Ilse het niet gewoon toegeven? Alhoewel, waarschijnlijk was ze ook nog eerlijk en had ze het werkelijk niet gezien, maar het boeide Sam ook echt niet meer. Ze wilde gewoon antwoorden, en die zou ze niet krijgen op deze manier.
Ze liet zich zakken in een stoel, meer voorin de trein. Ze liet haar tas voor haar voeten vallen en precies op dat moment, kwam een of ander kind naast haar zitten. Lichtbruin haar met grijze en groende uiteindes hing over haar schouders, haar groene ogen keken ongeïnteresseerd naar voren. Sam vond haar nu al vreemd, maar ze wilde niet vooroordelen en gaf haar dus een eerlijke kans om minder vreemd te lijken.
'Weet jij waar we heen gaan, eigenlijk?' ze besloot de aanwezigheid van het meisje maar te benutten, ze wist immers niet waar ze heen gingen en ze kon het net zo goed vragen.
'Hmm, je kent je eigen bestemming toch wel?’ Sam fronste haar wenkbrauwen, misschien was het kind niet vreemd, eerder onaardig.
'Nee,’ zei antwoordde ze met een geërgerde toon in haar stem, ‘welke rol speel je überhaupt?'
'Tori,’ het meisje keek er ontzettend trots bij, trotser dan normaal zou zijn geweest bij zo een kleine rol. Ze draaide zich om naar Sam, ze had haar interesse eindelijk gevonden. 'En jij?'
'Fayline,’ nu glimlachte Sam ook trots. De hoofdrol, hoe kon ze er niet trots bij kijken?
'Oh,’ mompelde het kind, veel te verbaasd.
'Heb jij je tekst al?' Sam wilde het per se weten, aangezien ze haar eigen tekst niet had, behalve dat van de audities en ze zich afvroeg of ze het nog zou krijgen, maar omdat ze nu vast zat aan de persoon naast haar en geen zin had om op te staan en zich een weg te banen naar een andere stoel, waarbij ze haar tas weer helemaal zou moeten slepen door het gangpad achter zich aan, waardoor ze de aandacht trok en iedereen haar aanstaarde, vroeg ze het maar aan het meisje.
'Ja,’ antwoordde het meisje droog, duidelijk totaal niet spraakzaam.
'Ik niet.'
‘Nou, dat is ook slim. Arm kind. Zomaar vergeten,’ zei het meisje, terwijl haar wenkbrauwen ophoog schoten.
'Ik ben het niet vergeten,' Sam keek zenuwachtig de andere kant op, wat moest ze beginnen zonder tekst? 'Ik heb het nooit gekregen.'
'Ook waardeloos.' Ze ging haast liggen in haar stoel, vermoeid van het gesprek, misschien. Al sprak ze steeds maar met één of twee woorden.
'Zeg dat wel.'
‘Dat is dan pech,’ een opmerking gemaakt om Sam duidelijk te kwetsen of zich beter te voelen. Sam trok de conclusie dat het kind inderdaad zo vreemd was als ze had vermoed.
'Anders leen ik jouw tekst wel.’
'Dat had je gewild,’ angstig schoof ze helemaal naar het randje van haar stoel, het leek alsof ze net ontdekt had dat Sam een dodelijk virus droeg dat wel degelijk besmettelijk was, waardoor ze maar een enorm stuk uit haar buurt zou moeten blijven.
'Heb je eigenlijk wel tekst? Je rol is nogal klein, lijkt me,’ beet Sam haar toe, al verscheen er een brede glimlach op haar gezicht.
'Ja,’ Sam kreeg een kwaad gezicht te voorduren.
'Dan heb je vast niet veel tekst.'
Het meisje zuchtte duidelijk geërgerd, waarschijnlijk omdat Sam gelijk had.
'Dus mag ik je tekst?' vroeg Sam, volgemaakte liefde.
'Nee,’ haar hand schoot naar haar tas, die ze vlug dicht ritste.
Sam besloot er niks op te antwoorden en het bleek ook niet nodig, want het voertuig kwam al snel tot stilstand, waardoor ze alleen maar langs het meisje dat Tori speelde, hoefde te klimmen en snel de uitweg van de trein hoefde te vinden. Maar voordat ze hem had gevonden, liep ze Hak tegen het lijf, met Ilse naast hem lopend. Lopend. Hoe kreeg dat kind het toch weer voor elkaar om zichzelf zo te forceren met haar wonden dat ze gewoon liep? Het leek wel alsof ze er om vroeg nooit meer goed te kunnen genezen of een enorm litteken te krijgen dat voor altijd over haar onderbeen zou lopen, omdat ze wilde laten zien dat ze geen hulpmiddelen nodig had of dat ze er van overtuigd was dat er helemaal geen wonden bestonden. Maar Sam besloot er geen aandacht meer aan te besteden, ze wist dat Ilse er toch niet naar zou luisteren.
‘Waar gaan we eigenlijk heen?’ vroeg Sam aan Ilse, toen ze beide de trein uit stapten.
‘Een hotel, dacht ik, omdat het nu te laat is om nog te beginnen met repeteren.’ Sam knikte. Ze keek opgelucht naar Hak die nog altijd boven de menigte mensen uitstak, aangezien ze de groep wilde volgen en ze, ze moeilijk kon onderscheiden om dat ze groep zich vermengde met de drukte vol reizigers op het station. Maar Hak had een knalblauw gewaad aan dat reikte tot zijn enkels en wat maakte dat hij daardoor nog beter te onderscheiden was van de rest van de mensen (al vroeg Sam zich wel oprecht af wat voor outfit hij aanhad, vanwaar hij deze vreemde kledingkeus had gemaakt, maar het viel haar nu pas op wat voor apartheid het eigenlijk met zich mee bracht) en er hing een stok over zijn schouder. Het zag er normaal uit, maar Sam wist dat het niets anders was dan het wapen wat hij had gebruikt om hen te verdedigen in een gevecht, dat het helemaal geen onschuldige stok was die hij ergens mee naar toe sleepte.
Plots dacht ze aan de politie waarvoor ze waren weggevlucht, haar adem stokte, haar ogen gleden langs de passagiers die van overal en nergens in en uit treinen stapten, die bibberde in de kou die hing op het station of die ongeduldig heen en weer liepen, kijken op hun horloge. Sommige die hun mobiele telefoon bekeken, andere die ouderwets een boek of krant hadden opengeslagen en zich hadden genesteld op een oncomfortabel houtenbankje dat zich bevond op het midden van dit station. Geen mensen in een uniform, al wist ze dat ze er wel ergens moesten zijn. Misschien geen politie, maar wel beveiliging. Waarschijnlijk waren ze op het nieuws geweest, dat moest haast wel, de slachtpartij die ze er van hadden gemaakt bij het gevecht van de vorige dag. Ze werd gezocht, ze was zich er bewust van, zij, Ilse en Hak werden gezocht en ondertussen reisde ze weg met een musical. Was dat waarvoor ze beschermd moesten worden? Waren het niet de Hartendieven geweest, maar was het de politie geweest? Waren ze nu op de vlucht voor de personen die ze vroeger altijd had beschouwt als de enige bescherming, als de beschermers van hun woonplaats, hun wereld. Hoe naïef ze vroeger tegen ze op had gekeken, maar ieder kind had dat toch gedaan? Gehoopt dat die mensen hen zouden beschermen tegen alles? Maar nu moesten ze weg rennen, wegvluchten van die mensen, omdat de maatschappij beschermd moest worden tegen hen. Hen, zij die misdadigers waren. Ze voelde paniek opwaaien en tegelijkertijd voelde ze zich vechtlustig. Ze was hier veilig, ze was hier onder bescherming van een menigte mensen, maar ze kon zichzelf ook meer dan prima verdedigen. Ze hoefde niet bang te zijn, vooral niet voor de mensen die de staat verdedigden. Want ze hoefde zich niet te verdedigen tegenover haar. Of ze hoopte tenminste dat ze het goed zouden kunnen praten, alles wat ze hadden gedaan. Waarschijnlijk niet, ze hadden hoe dan ook misdaden begaan, wat voor verklaring ze er ook voor zouden hebben, ze zouden er niet voor vrijgesproken worden.
‘Is er wat?’ vroeg Ilse, zodra Sam nog steeds om zich heen keek, opzoek naar iets of iemand dat hen misschien zou verraden, of misschien ‘een kwade zin’ kreeg als hij of zij hen zou zien.
‘We zijn zelfs niet meer veilig bij de politie,’ verzuchtte ze, ‘we kunnen hier maar beter niet zijn, in het openbaar, zelfs.’
‘Wat?’ Ilse keek nu ook geschrokken om zich heen. Natuurlijk. Ze had er natuurlijk niet over nagedacht wat voor misdaden ze waren begaan, want daar was ze ten eerste veel te naïef voor en ze was ook te goedgelovig van hun veiligheid en de dat de daden die ze begingen, volledig waren zoals het mocht van de wet en ten tweede had ze waarschijnlijk veel pijn gehad toen Hak haar weg droeg van de politie en weg van de Hartendieven, waardoor het haar waarschijnlijk grotendeels ontgaan was. En nu was ze onwetend, geschrokken en in gevaar, net als Sam zelf, eigenlijk.
Sam balde haar vuisten, somde al hun misdaden mompelend op en zigzagde ondertussen behendig tussen alle mensen door, op naar het hotel. Op naar meer onheil dan ze zelf had kunnen voorspellen, want als ze dat had gekund, dan was ze op dat moment omgedraaid, dan was ze weggegaan en had ze ook Hak en Ilse in veiligheid gebracht. Maar dat deed ze niet, omdat ze niet wist wat voor een gevaar ze liepen. Dat zou ze ook pas veel later te weten komen en toch was het op dat moment de enige uitweg aan de onheil. En ergens voelde ze wel dat het verkeerd was, maar ze was koppig, wilde haar dromen volgen, wilde haar Determined to find you spelen en ze verwachtte niet dat iets zo gedurfd zou zijn om ervoor te zorgen dat ze het niet kon spelen. Want die zouden het zelfde lot ondervinden, wist Sam, als de Hartendieven. Hun dood.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen