Wat klopt er niet?

‘Mama? Papa? Opa? Regulus, Robinia?’ roept Cassi bang. De volwassenen zijn opeens weg, en alleen zij, haar broer, haar zussen en haar neefjes zijn er nog.
Acacia pakt Arya van de vloer, die ligt te huilen.
‘Volgens mij hebben we de toekomst veranderd,’ mompelt Acacia. ‘Beter gezegd, dat heeft Aaron gedaan.’
‘Wát?!’ krijst Adelaide. (Het enige wat zij doet, is schreeuwen, lijkt wel.)
‘Heb je onze ouders laten verdwijnen?’
‘Ik denk eigenlijk dat mam, pap, en de anderen ergens in deze wereld rondlopen, en dat wij hier nog zijn, betekent dan dat wij hier allemaal niet bestaan.’ Iedereen staart Acacia aan. ‘We moeten uitzoeken wat hier de werkelijkheid is, en dan kijken of we het weer kunnen veranderen,’ vervolgt het meisje. ‘Of anders… zullen wij langzaam vervagen…’
‘Nou, dan is het duidelijk,’ zegt Orion dan. ‘Wij moeten op zoek naar onze ouders. Bij wie beginnen we?’
‘Zo te zien zijn we in het Sterrenrijk. Ik wil even kijken of er nog iemand in het Observatorium woont.’
Dan teleporteert Acacia zichzelf en de rest naar het Observatorium.

‘Hallo? Is er iemand thuis?’ roept Cassi vragend. Ze klopt op de deur, terwijl ze de hand van haar zus Acacia bijna fijnknijpt. ‘Hallo?’
Dan gaat de deur open, en komt er een voor de kinderen bekend gezicht tevoorschijn.
‘Merope!’ Cassi geeft de oude elfin een knuffel, die zo te zien niet weet wat er gebeurt.
‘Sorry, voor mijn zusje, Merope, maar mijn broertje, zusjes, neefjes, en ik willen u een paar vragen stellen,’ zegt Acacia, terwijl ze Cassi bij de elfin wegtrekt.
‘Waarover dan wel niet?’
‘Over onze ouders.’
‘Sorry, maar ik ken jullie ouders volgens mij niet. En volgens mij zijn de meesten van jullie geen Sterrenelfen. Mag ik soms jullie namen weten?’ vraagt Merope argwanend.
‘Dit is Cassiopeia, afgekort Cassi,’ zegt Acacia, met een blik op haar zusje. ‘Dat is Aaron, mijn broertje, en naast hem staat zijn tweelingzus Adelaide. Die twee jongens heten Orion en Sirius, mijn neefjes. Dit meisje heet Arya.’ Arya lacht even, wat er echt heel schattig uitziet.’
‘En jouw naam is?’
‘Ik weet niet of dat zo handig is: ik ben namelijk naar twee mensen vernoemt waar u het bestaan vanaf weet,’ twijfelt Acacia.
‘Meisje, ik kan overal tegen; ik heb ooit twee kinderen opgevoed!’
‘Oké: mijn naam is Acacia Mizram, maar iedereen noemt me Acacia.’
‘Je tweede naam is Mizram?’ vraagt Merope stotterend. ‘Wie heeft je zo genoemd, en nog belangrijker, waarom?’
Acacia zucht. ‘Mijn moeder heeft me zo genoemd, naar haar eigen moeder, die ik nooit gekend heb, evenals mijn grootmoeder van vaderskant, waar mijn eerste naam vandaan komt.’
Het lijkt of Merope het even niet meer kan hebben, alsof ze flauwvalt.
‘Kom even binnen, alleen dat meisje.’ Ze wijst naar Acacia.
Ze lopen naar binnen, en het is nog precies zoals in Acacia’s geheugen. De donkere woonkamer, de grote keuken, de trappen, de werkkamer van Eridanus waarvan ze weet dat de sleutel ergens bij de deur ligt.
Merope gebaart dat ze moet gaan zitten.
‘Dus, Acacia, waar komen jij en de andere kinderen vandaan?’ vraagt ze.
‘Oorspronkelijk of waar we wonen?’
‘Oorspronkelijk.’
‘Oké.’ Ze zucht even en begint dan aan haar verhaal. ‘Oorspronkelijk komen we allemaal niet van één plek, maar van meerdere. Mijn broertje, zusjes en ik komen van drie plekken, mijn neefjes van twee. Allemaal komen we uit het Sterrenrijk en het Bossenrijk, en mijn derde afkomst is het eiland van de wassende maan, waar de Zwarte Elfen leven. We wonen allemaal op het Riddereiland, waar mijn vader de oppergeneraal is, of was.’
‘Hoe bedoel je, was? Is hij overleden?’
‘Dat weet ik niet; dit is namelijk niet mijn werkelijkheid. We zijn per ongeluk gaan tijdreizen, en toen heeft mijn broertje ervoor gezorgd dat Strega een mossel at die over de datum was. Toen ging ze spontaan dood, en dat was dus niet helemaal volgens de geschiedenis die wij kennen.’
‘Wat is de geschiedenis dan, volgens jou?’
‘Strega werd verslagen door de profetie, en niet door een mossel. Door haar dood besta ik niet, net zoals mijn familie die buiten staat.’
‘Wie zijn je ouders dan, en wie zijn de ouders van je neefje?’ Merope heeft al een vreemd voorgevoel.
‘De ouders van mijn neefjes zijn Robinia en Regulus.’ (Geschokte blik van Merope.) ‘En mijn ouders zijn Saturno en Spica.’ (Nog steeds geschokt.)
‘Wat? Hoe… dit klopt toch niet…’
‘In mijn werkelijkheid anders wel. En nu weet ik niet eens waar mijn ouders zijn…’ Acacia klinkt droevig, de tranen springen haast in haar ogen, maar zoals altijd weet ze het te verbergen, en stralen haar ogen en ster een zelfverzekerd licht uit.
‘Je lijkt op hen.’ Merope verbreekt de lange stilte met die vier woorden. ‘In het weinige wat ik je nu heb zien doen, lijk je op hen. En ook in je uiterlijk. Je hebt je moeders ogen… in de kleur van je je vaders ogen. Zijn kleur haar, en je tengere bouw heb je van je moeder. Net zoals dat je net je tranen probeerde te verbergen.’ Daarop lacht Acacia, en ze veegt de tranen uit haar ogen. ‘Ik hoor vaak dat ik op ze lijk,’ glimlacht ze. ‘Maar nooit heeft iemand die me niet kent zo vol van liefde over de gelijkenis gesproken. De meeste mensen denken namelijk dat ik precies mijn ouders ben. Niet dat ik ooit geklaagd heb, meestal praat ik niet over wat me dwars zit.’
‘Daarin ben je precies je vader. En ik praat zo tegen je omdat ik zoveel van die twee in jou zie, en in je broertje en zusjes. En ik zie veel van Robinia en Regulus in je neefjes.’ Merope praat zacht, maar verstaanbaar.
‘U… u geeft veel om ze, of niet soms?’
Merope zucht. ‘Ja, maar ze zijn veranderd. Ze zijn niet meer de kinderen van vroeger, en ze zijn ook niet meer de vrienden van vroeger.’
‘Wat is er gebeurd? Zijn ze oké?’ vraagt Acacia, ze begint een beetje bang te worden van die woorden. Wat als haar ouders al dood zijn?
‘Het gaat een soort van goed met ze, maar ze zijn geen vrienden meer, niet eens kennissen. Ze zijn een soort van vijanden van elkaar!’
‘Wat? Maar ze zijn beste vrienden!’
‘Nu dus niet meer; Regulus is boos op Saturno, jouw vader dus, omdat hij zijn liefje heeft afgepakt.’
‘Wacht eens even, zijn pap en Robinia verliefd? Ieuw!’
‘Erger nog, ze zijn getrouwd. Het is een slecht huwelijk, en nu haten ze elkaar. Robinia is boos op Regulus, want hij heeft een keer al haar geld uitgegeven aan eten.’
‘Typisch mijn oom,’ mompelt Acacia. ‘En wat speelt er tussen mijn ouders?’
‘Nou, nadat Strega werd verslagen door een mossel, groeiden ze steeds verder uit elkaar. Waar vroeger hun liefde voor elkaar zit, zit nu haat, en verafschuwing. Je kan ze niet samen in een kamer achterlaten, er blijft niks van die arme kamer over. Jouw moeder woont nu ergens in het Sterrenrijk, als kluizenares, helemaal alleen. Ze durft haar oude vrienden niet meer onder ogen te komen. Je vader is ijdel, en hij woont in het Bossenrijk. Hij houdt nu alleen nog maar van de macht die hij heeft.’
‘En opa Eridanus? En opa Sterkhart? Wat is er met hen gebeurd?’
‘Eridanus is vorig jaar uit verdriet overleden, maar Sterkhart was toch Saturno’s vader, die vele jaren geleden is overleden?’
‘Je kan hem ook kennen onder de naam de Ridder,’ zucht Acacia.
‘O, ja, die is vastgevroren in een blok ijs.’
‘Nee, toch?’
‘Jawel, in het rijk van de smidskabouters!’
‘Dat is nou eens flink balen! Heeft u trouwens enig idee waar in dit rijk mijn moeder woont? Ik zou graag het verhaal uit haar mond willen horen.’
‘Ja, ik weet waar ze woont; in de woestijn, in een klein huisje. Ik zeg wel, ga niet alleen. Ze kan je als je in je eentje bent zo vermoorden.’
Acacia glimlacht even. ‘Zo ken ik mijn moeder.’

Reacties (1)

  • Allmilla

    Dit is eigenlijk zielig, maar Sterkhart vastgevroren in een blok ijs is nu echt wel grappig...xD

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen