Oropher keek zijn zoon streng aan. ‘Ik begrijp dat je je moeder mist, maar je moet je geest beschermen tegen de waanzin.’
      Thranduil keek fronsend op. ‘Moeder is al jaren dood. Het is geen waanzin die mij plaagt, er is iets anders aan de hand. Ervaar het zelf, voordat u een oordeel over mij velt.’
      Oropher onderdrukte een zucht. Hij wilde hier helemaal geen tijd voor vrijmaken. Er hing iets zwaars in de lucht, de vooraankondiging van een duister kwaad. Dat had hij vaker meegemaakt en hoewel hij zijn instinct toen had genegeerd, was hij niet meer zo naïef als toen. De vorige strijd had zijn vrouw haar leven gekost.
      ‘Goed dan,’ mopperde hij, al was het alleen maar om dit onderwerp daarna te kunnen laten rusten.
Thranduil glimlachte opgetogen en ging hem voor naar de Velden van de Ontzielden. Met onrust in zijn hart volgde Oropher hem. Met regelmaat ging hij naar die velden om Aerodyn eer te bewijzen, om te tonen dat ze nog voortleefde in zijn hart en in dat van zijn zoon, maar hij kon niet zeggen dat het een plaats was waar hij graag kwam. Het was een plek die hem constant confronteerde met zijn tekortkomingen. Veel van de lichamen die daar lagen behoorden toe aan elfen die onder zijn bescherming hadden gestaan, die hun vertrouwen in hem hadden gesteld toen hij ze naar de Grote Oorlog leidde. Ze hadden Morgoth verslagen, maar niet zonder enorme verliezen te hebben geleden. Verliezen die altijd minder hadden gekund.
      Met een zucht probeerde hij de herinneringen te verjagen. Eeuwen waren voorbijgegaan sinds die vreselijke dagen, maar soms voelde het alsof het pas een ademtocht geleden was.
      Het schuiven van bladeren onder de voeten van zijn zoon leidde zijn aandacht af. Thranduil was allang geen kleine jongen meer. Toch bleef er een kinderlijke naïviteit over de jongen, ondanks de zwerftochten die hij in zijn eerste levensjaren vlak na de val van Doriath had gemaakt. Zo’n onschuld ging pas weg na het strijdgewoel met eigen ogen te hebben gezien en hij hoopte niet dat de beklemming die nu in de lucht hing daar een voorteken van was.
      Ze bereikten de Velden van de Ontzielden. Hoewel hij gewend was aan een serene rust, hing er nu een onaangename kilte. Fronsend keek opzij. Zijn zoon keek hem veelbetekenend aan.
      Toch wilde hij niet hardop toegeven dat de atmosfeer veranderd was. Samen liepen ze dieper de velden in, naar de laatste rustplaats van zijn vrouw. Zoals iedere keer ging er een steek door zijn borst toen hij zich realiseerde dat haar lichaam verborgen was onder een berg aarde. De pracht ervan was verbleekt, weggevreten. Hij wist dat ze op hem wachtte in Aman en geen verdriet kende, maar toch blies die belofte het gemis niet weg.
      In de krans van bloemen die haar graf markeerde stond een hond. Het dier jankte naar hen. Een rilling kroop over Orophers rug. Hij herkende het dier onmiddellijk. Hij had het verwaarloosde beest een paar dagen geleden bij de rivier gezien.
      ‘Iedere keer dat ik hier kom om het graf te bezoeken, zit het dier daar,’ zei Thranduil.
      ‘Heb je geprobeerd het weg te jagen?’
      Thranduil keek hem van opzij aan. Zijn blik voelde veroordelend. ‘Probeer het zelf maar.’
      Orophor rechtte zijn schouders. Hij vond het maar niks dat er een hond op het graf van zijn vrouw bivakkeerde. ‘Ksst,’ siste hij terwijl hij dichterbij kwam.
      Het dier staarde hem aan, met grote, waterige ogen. Alsof het gehuild had.
      Zijn middenrif kromp samen. Die ogen sneden dwars door zijn ziel. Iets wat diep binnen in hem verscholen zat, als een ongeboren kind, begon te huilen. Hij voelde zijn onderlip trillen.
      Eeuwenlang had hij de ellende van anderen aangezien. Het had hem hard gemaakt. En toch voelde hij het nu. Medelijden.
      Voor een hond.

Reacties (2)

  • Ghafa

    Aaah. Ik vind de Oropherstukjes echt heel tof c:

    4 jaar geleden
  • ProngsPotter

    Dit is zo goed geschreven, mijn hemel

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen