Foto bij H.50.

Do you know those nights?
Those awful nights when you have to put your hand on your mouth so you don't make a sound while crying, because you slowly feel your hart breaking?

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Na een aantal minuten en meer krassen dan ik trots op ben kom ik aan bij de bovenkant van de heg.
Ik ga zitten met mijn benen die bungelen over de rand.
Even ga ik verzitten en ik pak het pakketje vast.
Ik open het.
Het is een scherp, hard mes belegen met hier en wat ingelegd bladgoud op het heft.
Het zijn kleine, losse deeltjes van het flinterdunne goud die iets zullen moeten vormen, maar ik kan van dichtbij niet zien wat.
Ik pak het vast en strek mijn arm.
Dan zie ik wat het vormt.
Elke ademteug ontsnapt uit mijn longen.
Het is een spotgaai.

Het duurt een tijdje voordat ik op kan houden met woordeloos naar het mes kijken.
Ik bedoel: het is een prachtig mes, goed in evenwicht, fijn heft, scherp en noem maar op.
Maar er staat een spotgaai op.
Zij vinden mij hun spotgaai.
Een icoon, een voorbeeld, rolmodel.
Maar ik zal sterven.
Ik zal dood gaan en de hoop met mij meesleuren.
Dat wil ik niet.
Maar ik wil liever dat Tyson veilig is en dat kan alleen met dit mes.
Het wordt langzaam avond en vanuit mijn positie kan ik zien hoe de zon langzaam achter de horizon wegzakt, in een bad van koperkleurige lucht.
Het is dan wel nep, gemaakt door het Capitool, maar het is prachtig.
Ik ga op mijn rug liggen, sla geen acht op de nare prikkels van de heg in mijn rug.
Een centimeter of twee zak ik weg in de plant, maar verder kan die moeiteloos mijn gewicht dragen.
Even sluit ik mijn ogen, denkende dat het maar voor een aantal secondes zal zijn, al blijkt het een kwartier te zijn.
Of twee.
Drie, misschien.
In ieder geval: wanneer ik mijn ogen open kijk ik tegen een prachtige sterrrenhemel aan.
Ontelbaar veel, kleine lichtpuntjes in de donkere lucht.
Een aantal zijn wat groter, een aantal wat kleiner.
Groepjes, of meer als individu.
Het is mooi.
Misschien is het wel de laatste sterrennacht die ik ooit zal zien.
Ik werk mij met mijn onderarmen op mijn achterwerk, trek vervolgens mijn knieën op en sla mijn armen daaromheen.
Mijn rechterwanglaat ik op mijn knieën rusten.
Ook al doet mijn rug zeer door deze positie, maar het brengt op een bijzondere manier toch rust.
En dan hoor ik hard geluid , iets verder weg.
Het komt uit de jungle.
Dan zie ik twee figuren de open plek van de hoorn oprennen.
De voorste is Tyson.
Daarachter Jeremy Vandel.
Hij jaagt de persoon achterna die absoluut niet mag sterven.
Nog nooit ben ik zó snel in beweging gekomen.
Ik probeer behendig de afdaling van 10 met te maken, maar ik val.
Met een gekwelde kreet doe ik er 6 meter over om weer tot stilstand te komen.
Mijn handen liggen volledig open van het grijpen naar de scherpe takjes, maar verder ben ik niet gewond.
Het mes heb ik op de grond laten vallen, twee meter onder mij.
Nog even klim ik naar beneden, maar het gaat mij te langzaam en ik laat mij de laatste 1,5 meter naar beneden vallen.
De klas kan ik goed opvangen door mijn knieën niet op slot te zeggen, waardoor ik een beetje doorzak zonder verdere pijn.
Het mes pak ik op en ik begin te rennen.
Ver is het niet naar waar het labyrint ophoudt: ik heb een plek uitgezocht die simpel en dichtbij is.
Nog 7 meter.
Maar dan, uit een zijpad, verschijnt een wezen.
Een monster.
Een mutant.
De kop een staart van een stier en een verschrikkelijk gespierd mensenlichaam dat een aantal dierlijke trekjes lijkt te hebben.
Hij draagt een doffe, maar scherpe bijl bij zich.
Toen ik aan de hemel zag dat dit ding een andere tribuut vermoorde, leek hij wel groot, maar niet de 2,5 meter aan verschrikking die hier nu boven mij uittorent.
Klein ben ik niet, maar in vergelijking met dit beest voel ik mij een muisje, een insect.
De ring in zijn neus wiebelt een beetje heen en weer door de ademteugen die zijn neus uit stuiven, wat hem nog angstaanjagender maakt.
Het is een minotaurus.
Ik ben zó zwaar de klos.

Reacties (2)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here