‘Zal ze ooit een baasje hebben gehad?’ Thranduil zat in kleermakerszit vlak bij de openhaard. Zijn hand week niet van het dier, dat hij net voorzichtig schoongeborsteld had.
      Nog steeds stonk het dier een uur in de wind, al was dat niet de grootste reden dat Oropher ervoor terugschrok het aan te raken. Hij kon ook niet benoemen wat het wel was, het was een vreemd, onbestendig gevoel waar hij normaal gesproken maling aan zou hebben gehad.
‘Ik denk het. Ze is best tam.’ Al was tam niet helemaal het goede woord. Het dier had iets verlorens, maar was niet aanhankelijk. Het kwispelde niet met zijn staart omdat het zo blij was gezelschap te hebben, noch ontblootte het zijn tanden. Het zat daar maar uitgeput op het vloerkleed, starend naar het haardvuur. Hij merkte dat hij het zich aantrok, het voelde alsof zijn borst gevuld werd met stenen. Loodzwaar.
      Thranduil hield zijn ogen niet van de hond af. Oropher wist welke dwaze gedachte er door het hoofd van zijn zoon ging. Thrnaduil zei het niet hardop, maar doordat het dier steeds opdook bij het graf van zijn moeder, hoopte hij dat haar ziel in het arme dier gevaren was en dat ze terug was gekomen.
      Oropher wist dat dat niet zo was, maar zolang Thranduil daar niet hardop over sprak, hield hij zijn mond er eveneens over. Als het echt Aerodyn was geweest, dan had zijn hart gezongen. Haar warmte voelen, zelfs in een andere staat dan hij haar gekend had, ging iedere droom te boven. Dan had het vertrouwd gevoeld, en niet onnatuurlijk en fragiel, als een glas vol barsten dat bij de geringste druppel water in duizend stukken uiteen zou spatten.
      ‘Misschien moet je haar wat voedsel geven. Ze is vel over been.’
      Thranduil keek naar hem op. Oropher voelde aan dat zijn zoon niet van het dier weg wilde gaan, maar hij wilde zijn zoon juist aanmoedigen om dat wel te doen. Al was het maar voor even. Erg gezond kon hij dit gedrag niet noemen.
      Toen de elf doorhad dat zijn vader hem niet te hulp zou schieten, fluisterde hij iets tegen het dier, kwam hij overeind en liep hij naar de keukens.
      Zodra zijn voetstappen wegstierven, draaide de hond zijn kop opzij. Weer was die blik daar, die hem als een steek in de borst trof. Was het dier mishandeld? Droeg ze daarom zo’n droefheid bij zich? Maar waarom zou dat hem dan zo veel doen? Hij was allicht geen voorstander van dierenleed, dat wilde echter niet zeggen dat hij zich hun lot ontzettend aantrok. Hij was zelfs een elf die graag vlees at, er waren elfen die veel meer voeling met de natuur hadden dan hij. De afgelopen jaren was hij getuige geweest van het werk van stropers, genoeg kermende dieren had hij tijdens zijn wandelingen door het woud gezien. Nooit had hij er een nacht wakker van gelegen.
      Het dier jankte zachtjes, alsof het hem aanmoedigde om dichterbij te komen. Om die onzichtbare barrière voorbij te gaan. Hij wilde net als door een trance overeind komen toen zijn zoon weer binnenkwam met een stuk vlees en een kom water in zijn handen. Onmiddellijk zakte Oropher terug in de stoel.
      De hond keek nog steeds naar hem, in plaats van naar het eten.
      Oropher fronste, een akelige spanning bouwde zich op in zijn buik. Heeft Thranduil dan toch gelijk?

Reacties (2)

  • SonOfGondor

    Kom op, Oropher, luister naar je instinct

    4 jaar geleden
  • Ghafa

    Oeeeh, misschien dat Oropher er toch nog achter komt dat het écht geen gewone hond is c:

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen