Proloog

Ellenore verbeet haar ergernis terwijl zij en haar man over het hobbelige bospad reden. Het was pikkedonker, de enige twee lichtbronnen waren de koplampen van de auto.
Weer een hobbel. Ze klapte bijna tegen het dashboard.
‘Sorry, lieverd.’
‘Sorry? Ik zei toch dat we die andere afslag hadden moeten nemen? Nu zitten we in de middle of nowhere!’
‘Ik weet het lieverd.’
De motor sloeg met een klik af en het weinige licht dat ze hadden, stierf weg.
‘Oh jeetje.’ Martin draaide de sleutel nog een paar keer om, maar zonder resultaat.
‘Ik ben hier zo klaar mee!’
‘Rustig Ella, het is vast iets kleins. Ik ga wel even kijken.’ Martin haalde een zaklamp tevoorschijn. ‘Krijg nou wat…’
‘Wat?’ Ellenore keek gefrustreerd naar haar man die met open mond naar buiten staarde.
Ze volgde zijn blik en zag het toen ook: het regende sterren, maar dan van heel dichtbij.
‘Je zei dat er vannacht geen maan was.’
‘Dat is ook zo.’
Ellenore voelde de grond lichtjes trillen en slikte krampachtig. Wat er ook aan de hand was, ze wilde weg hier. Nu.
Maar Martin had andere plannen: hij opende de deur.
‘Wat ga jij doen?!’
‘Ik hoor iets. Wacht hier.’
‘Martin, nee!’
Maar hij was al uitgestapt.
Ellenore bleef handenwringend zitten. Dit was het perfecte einde van een rampzalige vakantie. Een huisje aan zee, hoe had hij het kunnen bedenken? Ze was alleen meegegaan omdat hij dat zo graag wilde, het zou goed zijn voor hun relatie. Bovendien had hij beloofd om naar huizen te gaan kijken.
Ellenore zuchtte. Haar ouders zeiden altijd dat zij niet in staat was om van iemand te houden, maar dat was niet waar, ze hield van haar man.
Waar bleef hij nou?
‘Martin?’ Ze stapte uit. ‘Martin?’
‘Ik ben hier.’
Ze vond hem een eindje verderop, hij stond over iets kleins en wriemelends heen gebogen.
‘Wat is dat?’
‘Een… baby.’
Ellenore vond het wezentje er alles behalve menselijk uit zien: het was eerder een worm met ledematen.
‘Arm klein musje. Wat is er met jou gebeurd? Waar zijn je papa en mama?’
Martin gaf de zaklamp aan haar en pakte het wezen voorzichtig op. Het dekentje waar het in was gewikkeld, zat onder het bloed en het wormpje bibberde van de kou. Een meisje. Ze was klein zo klein dat ze gemakkelijk in de palm van zijn hand paste.
Het bloed sijpelde een diepe snee die van de haar bovenlip helemaal naar haar keel liep.
Martin keek om zich heen, hopend op een aanwijzing voor wat er gebeurd was. Glasscherven glinsterden in het licht van de zaklamp, maar meer was er niet te zien.
Ellenore las zijn gedachten. ‘Nee, we nemen dat… dat ding niet met ons mee.’
‘We laten geen weerloze baby achter.’
De blik in zijn ogen was duidelijk: deze discussie was gesloten.
Ellenore draaide zich om en telde geruisloos tot tien. Ze kon heel goed ‘nee’ zeggen, behalve tegen hem. Heel irritant.
Toen ze haar ogen weer opende zag ze het huis, verlicht door een eenzame straatlantaarn. Het bordje ‘Te Koop’ wiegde in de wind.
Dit huis was groot, dit huis had klasse, dit huis was perfect.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen