Foto bij Proloog

Loch Maree, 21 oktober 1832

Mijn schuld, het is allemaal mijn schuld. Die woorden galmen door mijn hoofd als ik naar buiten staar.
Ik kijk naar de wuivende grashalmen, het glinsterende meer en het schip, het verlaten schip. Doods, het hele schip, het hele terrein, het hele hotel: overal waard de dood rond.
Mijn schuld.
Met een ruk sluit ik de gordijnen en laat het donker toe. Ik kan het horen, het gelach. Ik zie het bestek, glinsterend in het kaarslicht. De eend was zonder twijfel het middelpunt van alle pracht en praal.
Het gelach, het kaarslicht. De dood. Ik heb ze allemaal vermoord, zonder het zelf door te hebben.
Alleen ik leef nog.
Langzaam draai ik me om en zet mijn voet op de onderste tree van de keukentrap. Ik ben een moordenaar, op weg naar de galg.
Ik klim hoger, mijn dood tegemoet. Bij iedere stap die ik zet, klinkt de klaagzang van de doden luider.
Ik zie ze weer voor me, de koude lijken die ik nog geen drie uur geleden in hun bed heb aangetroffen.
Op het eiland in het midden van het meer, daar heb ik ze begraven. Daar zal iedere man, vrouw en kind voor eeuwig slapen.
De strop hangt zwaar om mijn nek. Ik ben een moordenaar, moordenaars hebben geen recht op een vredige verlossing.
Ik sluit mijn ogen en spring, de eeuwige verdoemenis tegemoet.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen