De garagejongen

Welke dag is het vandaag? Ik lig languit in de boom en pieker me suf, maar ik weet het echt niet. Ik weet niet eens precies hoe laat het is, want alle klokken in huis staan stil. Als de blaadjes aan de bomen niet van kleur zouden veranderen, zou ik serieus denken dat de tijd hier stilstond.
Een plotseling geluid verbreekt de stilte van het bos. Een struik aan de rand van ons terrein schudt, gromt en blaft. Een blaf die ik ken.
Verbaast kom ik overeind. ‘Vriend?’
Daar is hij, als een duveltje uit een doosje komt hij uit de struik tevoorschijn.
Ik schiet spontaan in de lach. ‘Wat doe jij hier?’
Zodra hij mijn stem hoort, spurt hij op de boom af en doet verwoede pogingen om omhoog te klimmen.
‘Dat gaat je nooit lukken,’ Grinnikend leg ik mijn hand op een dunne tak ren laat een regen
Vriend kijkt verwonderd naar de witte blaadjes en begint er dan als een dolle achteraan te jagen. Hoe meer bloesem ik in de rondte laat dwarrelen, hoe leuker hij het vindt.
‘Vriend? Vriend!’
Ik verstijf. Ik ging zo op in het vrolijke spel dat ik de naderende voetstappen niet heb gehoord.
De garagejongen komt tussen de bomen vandaan. Hij blijft staan en steekt zijn hand uit naar de nog steeds neerdalende bloesem. Even lijkt hij totaal te zijn vergeten wat hij hier kwam doen. Totdat Vriend tegen hem op springt.
‘Dus hier zit je! Wat spook je hier in godsnaam uit? Je weet best dat je hier niet mag komen, je brengt ons allebei nog eens in de problemen.’ Garagejongen doet zijn best om streng te klinken, maar ik hoor een lach in zijn stem.
Ook Vriend trapt er niet in. Hij blaft en begint rondjes rondom mijn boom te rennen.
Garagejongen komt dichterbij en fluit zachtjes, onder de indruk.
Ik hou mijn adem in. Ga weg, ga alsjeblieft weg.
Geruisloos pak ik een tak en trek mezelf verder omhoog, de beschutting in. Als garagejongen mij ziet, is het gedaan met mijn vrijheid.
Mijn volgende steunpunt is te dun, de boom ritselt waarschuwend.
De ogen van garagejongen schieten direct zoekend mijn kant op. ‘Is daar iemand?’
Hij ziet me, verstoppen heeft geen zin meer. Hij houdt een hand boven zijn ogen en lacht. ‘Hallo. Gaat alles goed daarboven?’
Ik werp nerveus een blik op het raam van moeders werkkamer. Daar is geen beweging achter te zien. Nog niet.
Ik slik nerveus en zeg zo hard als ik durf: ‘Ga… ga alsjeblieft weg.’
‘Hé, jij bent het vriendinnetje van Vriend. Woon jij hier?’
‘Ga weg. Alsjeblieft.’
Hij luistert niet. Waarom luistert hij niet? Hij blijft maar naar de boom staren.
‘Wow, wat een joekel! En dat het huis nog overeind staat, die stond op instorten toen ik klein was.’
Garagejongen kijkt mij opnieuw aan. Ik word er onrustig van, niemand kijkt mij ooit recht aan. Met trillende vingers trek ik mijn vertrouwde sjaal uit mijn broekzak en hou het voor mijn litteken.
‘Je bent toch niet bang voor me?’ Garagejongen fronst zijn wenkbrauwen. ‘Woon jij hier al je hele leven?’
Ik knik. Ga weg. Alsjeblieft, ga weg.
Hij schudt verward zijn hoofd. ‘Maar als dat zo is, hoe kan het dan dat ik jou hier nog nooit…?’
De deur vliegt open en moeder komt naar buiten met een bezem in haar hand.
‘Wat moet jij hier?’ Ze zwaait met de bezem in zijn richting. ‘Wegwezen, weg!’
Garagejongen weet de steel snel te ontwijken. ‘Het spijt me, maar mijn hond…’
Vriend springt grommend voor zijn baas in een poging om hem te beschermen, maar heeft al snel een mep van de bezem te pakken.
‘Niet doen,’ roep ik, ‘doe hem geen pijn!’
Moeder kijkt omhoog en ziet mij zitten. ‘Daar ben je.’ Haar hand gaat naar de ketting om haar nek. ‘Kom naar beneden. Nu.’
Haar woorden sleuren mij omlaag. Takken slaan in mijn gezicht, een klap en het licht gaat uit.

‘Meisje? Hé, meisje?’
Het licht gaat weer aan en ik zie twee grijsblauwe ogen bezorgd naar mij kijken. Garagejongen glimlacht. ‘Gelukkig, je bent er weer.’ Hij raakt mijn wang aan, zijn vingers voelen een beetje ruw. ‘Hoe voel je je? Dat was een behoorlijke klap.’
Zijn vingers, mijn gezicht. Paniek verjaagt de sufheid. Mijn sjaal, waar is mijn sjaal gebleven? Snel sta ik op.
‘Rustig.’ Garagejongen kijkt me met grote ogen aan. ‘Je… je bent net uit een boom gevallen.’
‘Zo is het wel weer genoeg.’ Moeder pakt me bij mijn schouder en duwt de sjaal in mijn hand. ‘Jij, naar binnen, nu.’
Ik loop naar achteren, maar kijk naar Vriend, die schuw achter zijn baas staat.
Garagejongen ziet het kijken. ‘Hij is oké, maak je geen zorgen.’
Moeder draait zich naar me om, nu is ze echt woedend. ‘Naar binnen, zei ik! Dat is een bevel!’
Dat is genoeg om mij naar voordeur te dwingen en hem te openen. Ik hoor garagejongen nog iets roepen, maar ik sta al in de duistere gang. De deur is weer dicht.
Langzaam loop ik naar mijn kamer, ga op mijn bed zitten en kijk naar de gat in mijn deur. Ooit heeft daar een slot gezeten, maar die heeft moeder er al lang geleden uit gesloopt.
Ze komt naar boven. Ik tel haar driftige voetstappen voordat ze de deur bijna uit zijn scharnieren rukt.
Ze grijpt me hardhandig bij mijn shirt. . ‘Hoe ken je hem? Hoe zijn jullie bevriend geraakt? Is hij je gevolgd?!’
‘Nee! Weet ik niet, ik weet niet eens hoe hij heet.’
Moeder laat me los. ‘Je weet niet hoe hij heet? Hij is dus een soort van… vreemde voor je?’
‘Ja. Ik ken alleen zijn hond, Vriend.’
Moeder knikt langzaam en streelt nadenkend haar ketting. Ik haat dat ding, al snap ik zelf niet waarom. Zo bijzonder is hij niet, het zijn gewoon donkere driehoekjes van glas aan een simpel touw. Toch trekt de ketting mij aan zoals een vlam een mot lokt.
‘Liefje,’ moeder duwt mijn kin omhoog, zodat ik haar wel aan moet kijken, ‘vanaf nu wil ik dat je geen enkele vreemde meer aanspreekt. Nooit meer.’
Haar woorden hebben direct effect: zodra ik aan de garagejongen denk, voelt mijn mond zo dor als de woestijn en mijn tong als een dooie naaktslak.
Moeder glimlacht. ‘Heb je dat goed begrepen, schat?’
‘Ja, moeder.’
‘Mooi zo.’ Ze streelt mijn wang. ‘Ik doe dit allemaal voor je eigen bestwil, dat weet je hè?’
Ik knik, maar ze is al opgestaan en loopt weg.
Ik bijt zo hard op mijn lip dat hij begint te bloeden. Ik haat haar, ik haat haar echt.

Reacties (2)

  • Creating_Laura

    Zodra hij mijn stem hoort, spurt hij op de boom af en doet verwoede pogingen om omhoog te klimmen.
    ‘Dat gaat je nooit lukken,’ Grinnikend leg ik mijn hand op een dunne tak ren laat een regen
    Vriend kijkt verwonderd naar de witte blaadjes en begint er dan als een dolle achteraan te jagen.

    het vetgedrukte stukje snap ik niet, but I love it nonetheless

    4 jaar geleden
  • DeNaamIsGideon

    ik ook m'n jonge dame, ik ook.

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen