Foto bij Twintig weken challenge • Week 4 • De stad waarin

De stilte was overweldigender dan ooit. Ze daalde op me neer als een warme deken op een oververhit lichaam. Ik wilde de stilte verdrijven, terwijl het alles was wat ik zocht. Zoals ik in de zomer niet kan slapen zonder een laken, terwijl ik het vervloek van de hitte, zo haatte ik het vacuüm van geluid. Ik woelde heen en weer op het houten bankje om een comfortabele positie te vinden, wat tevergeefs bleek. Als de stad ontplofte, waren mijn gedachten stilletjes aanwezig, maar als de stad zweeg, nam de wirwar in mijn hoofd toe. Helaas was de stad alleen ’s nachts stil, als ik lang genoeg wachtte.
Zo ook toen vannacht de klok twee keer sloeg. Ik had de zachtste joggingbroek aangedaan die ik kon vinden en stapte in mijn afgetrapte sneakers, die oorspronkelijk wit waren geweest. Nu wist ik pas zeker dat ik zonder jas naar buiten kon, al was ik daarvan overtuigd toen ik een te grote hoodie aantrok. Mijn overtuigingen waren minstens net zo vaak niet waar gebleken. Toch bracht ik het telkens weer op om met een rotsvast vertrouwen te geloven in mijn eigen gedachtespinsels.
Het waren die gedachtespinsels die ervoor zorgen dat ik hier midden in de nacht op een bankje lag, midden in de stad, met mijn ogen gesloten. Het zou misschien al wel half vier zijn en ondanks dat ik morgen – vandaag – alweer zou moeten studeren, begon ik te wennen aan de stilte en voelde ik niet de drang om op te staan. Ik zou de stad tot leven willen zien komen, waardoor mijn gedachten langzaam zouden sterven. Het was geen verdrietige dood, eerder de rust die ze altijd al verdienden. Deze gedachten zouden niet meer terugkomen, dat was al gebleken. Iedere nacht had ik nieuwe gedachten, wel over hetzelfde, maar nooit in dezelfde zinsopbouw. Als al mijn gedachten zo vergankelijk waren, waarom bleef die ene avond dan telkens over mijn netvlies dansen?

Ik open mijn ogen en knipper één, twee, drie, zelfs vier keer met mijn ogen. Gewoonlijk zie ik scherp na tweemaal mijn ogen te openen en te sluiten. Dat deze nacht anders is, was me eerder al opgevallen, toen de stilte me overviel. Het licht van de grote, torenhoge gebouwen doet pijn aan mijn ogen en ik sluit met een diepe zucht weer mijn ogen.
‘Goedenacht.’
Ik schiet overeind en hap naar adem. Met mijn ogen tot spleetjes geknepen, deels om het gevaar in te schatten, deels om tegen het licht te kunnen, kijk ik de persoon tegenover me aan. De man zal eind zeventig zijn, als ik het moet inschatten.
‘Niet schrikken, meisje. Ik heb geen kwaads in de zin. Ik vroeg me alleen af wat er met je is.’
‘Ik was even gaan zitten.’ Ik schuif van hem af, als hij naast me komt zitten. Zijn gezicht straalt wijsheid uit, met een zachte uitdrukking. Er lijken nauwelijks zorgen in zijn uitdrukking te zijn gesleten en ik hoop dat ik ook op die manier oud mag worden.
De man schudt langzaam zijn hoofd. ‘Dit was de achtentwintigste nacht dat ik je hier zag liggen. De stad is niet veilig voor meisjes zoals jij. Niet ’s nachts.’ Hij hoest eens. ‘Ik woon daar.’ Hij wijst naar een verdieping van het grote gebouw, volgens mij de achtste, waar geen licht brandt, op één kamer na. ‘Waarom slaap je niet? Je sluit je ogen wel, maar je slaapt niet. Heb je geen thuis?’
Er wellen tranen in mijn ogen op en ik dring ze met de grootste wilskracht terug die ik nog in me heb. ‘Niet meer. Ik heb een kamer hier in de stad.’ Ik haal diep adem. ’S-Sinds de brand kan ik ’s nachts niet meer in een huis zijn. Vaak val ik overdag in slaap.’
‘Brand?’ De man legt zijn hand op mijn schouder.
Het voelt niet vreemd, eerder vertrouwd, alsof ik hem al heel lang ken. ‘Een maand geleden brak er brand uit in mijn vorige appartement. Ik ben bewusteloos uit huis gehaald door de brandweer. Het scheelde weinig, zeiden ze.’ Het is voor het eerst dat mijn wangen droog blijven als ik het vertel.
‘Mijn dochter is psychologe, je zou eens met haar moeten praten. Het leven is tekort om je te laten regeren door angst.’
Ik wil tegen hem schreeuwen dat hij er niets van begrijpt, maar ik houd me in als hij de mouw van zijn gebreide trui oprolt. Zelfs in het donker zie ik de gevlekte huid en ik weet dat het exact hetzelfde is als wat ik op mijn schouder heb: brandwonden.
‘1989, ik stond aan een auto te sleutelen die brandstof lekte. De knal hoorden ze in de wijde omtrek. In 2004, toen ik met pensioen ging, heb ik een oude garage opgekocht. Iedereen verklaarde me voor gek, maar ik heb er nog uren geknutseld en ik ga er nog vaak kijken bij mijn kleinzoon, die dezelfde passie heeft als ik. Ik had gewild dat ik in 1990 alweer aan de slag was gegaan.’ Hij staat op. ‘Ik haal een visitekaartje voor je van mijn dochter.’ De man staat op en loopt nog verrassend soepel naar het hoge gebouw.
Als de kerkklok vier uur slaat, komt hij naar buiten en reikt me het kaartje aan. ‘Het is natuurlijk al de volgende dag. Bel haar vandaag. En anders ben ik er morgennacht weer om met je te praten.’
Mijn overtuiging dat er nog goede mensen bestaan in deze wereld is de eerste diepgewortelde overtuiging die standhoudt in lange tijd. Dat belooft veel voor de toekomst.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen