De kelder

Green finch and linnet bird, nightingale, blackbird,
How is it you sing?
How can you jubilate sitting in cages
never taking wing?
Outside the sky waits, beckoning! Beckoning!
Just beyond the bars...
How can you remain staring at the rain
maddened by the stars?
How is it you sing, anything?
How is it you sing?

De woorden zweven door de lege keuken, wachtend op het moment dat ik het volgende couplet inzet. Het tweede couplet van papa’s favoriete lied. Hij heeft het zo vaak voor mij gezongen. Zacht en een beetje droevig, precies zoals het hoort.
Ik herinner me zijn uitleg als de dag van gisteren.
‘Dit lied, kleine mus,’ vertelde hij, ‘gaat over een mooie, lieve prinses. Deze prinses zat gevangen in een hele hoge toren…’
‘Net zoals Rapunzel?,’ vroeg ik.
‘Ja, net zoals Rapunzel. Deze prinses had geen heel lang haar, maar wel een kleine blauwe vogel die haar gezelschap hield. De vogel zat gevangen in een kooi, net zoals zij, maar hij zong de hele dag. Hij zong zo mooi, dat de prinses hem smeekte om haar dat ook te leren.’
Papa schraapte zijn keel en zong het laatste couplet:

Green finch and linnet bird, nightingale, blackbird,
teach me how to sing.
If I cannot fly...
Let me sing.


‘En deed hij dat? Leerde hij de prinses net zo mooi zingen als hij?’
‘Mooier,’ antwoordde vader met een droevige glimlach.
‘Waarom kijk je dan zo bedroefd, papa? Werd de prinses niet verliefd op een prins en leefden ze niet lang en gelukkig?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Waarom niet?’
Hij trok mij bij zich op schoot. ‘Omdat niet alle verhalen een einde hebben, die moeten wij dan zelf verzinnen.’
‘Oh.’ Ik nestelde mezelf dicht tegen hem aan. ‘Denk je dat de prinses ooit vrijkomt, papa?’
‘Dat weet ik haast wel zeker.’
‘De vogel ook?’
Hij lachte. ‘Ja, de vogel ook. Hij vliegt uit zijn kooi en gaat de wereld verkennen, net zoals jij ooit zult doen.’
De wereld verkennen, ik kijk uit het keukenraam naar de blauwe lucht. Er is niets wat ik liever zou willen. Weg uit dit huis, weg uit het bos, weg van de Damweg. Eén stap verder zou al een hele prestatie zijn.
Ik pak het volgende glas om te poetsen, maar merk dat ik er met mijn hoofd niet bij ben. Vos is verder weg geweest dan de Damweg. Dat weet ik omdat hij in de zomer altijd verdwijnt. Waar zou hij dan zijn? Welke verhalen zou hij mij over die plek kunnen vertellen?
Bij die gedachte alleen al voelt het alsof er tientallen vlinders in mijn buik rondfladderen.
‘Lily.’
Razendsnel draai ik me om en zie moeder in de deuropening staan. Hoelang staat ze daar al en waarom kijkt ze zo raar?
Ze steekt een hand naar me uit. ‘Kom, ik wil je iets laten.’
Nee, iets zegt me dat ik dit niet moet doen. Ik blijf staan waar ik sta.
‘Liefje, ik wil dat je met mij mee komt.’
Het magische woord is gevallen: mijn benen komen als vanzelf in beweging.
Moeder pakt me bij de hand en trekt me mee de gang op. Eerst denk ik nog dat ze meeneemt naar een van de vele kamers om daar schoon te maken. Maar we lopen verder, naar een gedeelte van het huis dat ik niet ken.
Even vergeet ik mijn onrust en kijk geïnteresseerd om mij heen. Het lijkt wel alsof ik een heel ander heel ander huis ben binnengestapt. Gedateerd, alsof de tijd hier jarenlang heeft stilgestaan. De vloer is van donker hout in plaats van witmarmer en de levenloze ogen van opgezette dieren kijken roerloos op ons neer.
‘Je vader heeft dit gedeelte van het huis gelaten zoals het was,’ zegt moeder alsof ze mijn gedachten leest, ‘dat heb ik hem gevraagd. Het wordt tijd dat je een belangrijke les leert. Blijf staan.’
Ze trekt een mottig kleed weg. Eronder zit een luik die bijna naadloos wegvalt in de vloer.
Moeder trekt hem met enige moeite omhoog. ‘Kom mee.’
Ik kijk naar de gapende duisternis en voel het kippenvel op mijn armen. Ik wil dit niet, ik wil dit echt niet…
‘Liefje, ‘ zegt moeder met een mierzoete stem, ‘ik beveel dat je die kelder in gaat.’
Ik zet me schrap, maar een onzichtbare hand duwt me de duisternis in. Eén stap, nog een stap naar beneden….
Ik probeer de opkomende paniek te onderdrukken. Ik haat donkere ruimtes, ik moet altijd een uitweg zien, anders word ik gek.
Met iedere stap die ik zet, lijkt het kouder te worden. De geur van schimmel dringt mijn neus binnen, maar tegelijkertijd ruik ik iets anders, een steriele geur die me aan papa’s ziekenhuisperiode doet denken.
Ik wil hier weg.
‘We zijn er.’
Een plotseling kil, witlicht verjaagd de duisternis. Ik voel direct de aandrang om weg te rennen. Potjes, overal staan potjes met dingen op sterkwater. Dingen die ik herken en dingen die ik niet wil herkennen. Beesten, handen, klauwen, ogen…
Vol afschuw draai ik me om en hap naar adem. Voor mij hangt een muur vol gereedschap: tangen, beitels, hamers, zagen en enorme injectienaalden. De donkere vlekken die erop te zien zijn, vallen extra op in het schelle licht.
Ik deins achteruit, totdat ik ergens tegenaan stoot. ‘De behandeltafel,’ zegt moeder als ik me voor de tweede keer omdraai. Ze streelt haast liefdevol over het metalenoppervlak. ‘Wat vind je van deze plek, liefje?’
Mijn blik wordt naar de foto’s boven de behandeltafel getrokken. Foto’s van mensen met van pijn vertrokken gezichten, schreeuwende mensen, mensen die onder het bloed zitten, mensen die met lege ogen de camera in kijken. Mensen die hier geweest zijn.
‘Ooit woonde hier een huisarts,’ vertelt moeder rustig. ‘Ik heb me laten vertellen dat hij goed was in zijn werk, maar er nogal… aparte hobby’s op nahield. Hij was gefascineerd door mensen die… anders waren. Hij wilde weten hoe zij in elkaar zaten. Zie hier het resultaat.’
Moeder strijkt zachtjes over mijn wang. ‘Jij bent een van die freaks, liefje. Hij had jou maar al te graag… willen onderzoeken.’
Ik knijp mijn ogen stijfdicht. Blijf ademhalen, zeg ik tegen mezelf. In en uit, gewoon in en uit.
‘Kom je nog terug?’ De zachte fluistering laat me verstijven, mijn ogen vliegen open.
Moeder ziet mijn reactie en glimlacht. ‘Tegen wie praatte je, lieverd?’
‘Niet liegen.’ Ze streelt de ketting om haar hals. ‘Ik wil dat je de waarheid zegt.’
Ik bijt op mijn kiezen. Ik voel het weer, de onbedwingbare drang om te doen wat ze zegt, maar als ik dat doe, is het gedaan met de weinige vrijheid die ik heb, om over Vos nog maar te zwijgen.
Vaders woorden klinken helder in mijn hoofd: De waarheid heeft verschillende kanten, het is maar net hoe je er tegenaan kijkt.
Ik bevochtig mijn lippen. ‘Een vriend, ik praatte met een vriend.’
‘Jij hebt geen vrienden.’
‘Wel waar.’
Moeder kijkt mij strak aan, ik zie verwarring in haar ogen. ‘Die garageknul, was hij het?’
‘Het was… een vriend.’
‘Je liegt!’
‘Nee!’
Moeder pakt haar ketting nu met haar hele hand vast. ‘Ik beveel je, om mij de waarheid te vertellen.’
Ik weet niet wat er gebeurt, het voelt alsof iemand mijn ingewanden uitwringt. Onzichtbare dolken hakken op mij in. ‘Een vriend,’ breng ik moeizaam uit, ‘ik praatte met een vriend, dat is de waarheid.’
‘Leugenachtig kreng!’ Moeder trekt zo hard aan haar ketting dat hij breekt, woedend smijt ze hem weg.
De pijn verdwijnt en ik zak als een lappenpop in elkaar.
Moeder haalt diep adem en raapt haar ketting op. ‘Goed dan, lieg tegen je moeder als dat is wat je wilt, maar dan blijf je hier totdat je tot inkeer bent gekomen.’
‘Wat?’ Angstig kijk ik naar haar op.
Ze draait zich om en loopt naar de deur.
Haastig sta ik op, ik wil haar volgen, als….
‘Blijf staan.’
Ik bevries terplekke.
‘Heb je me de eerste keer niet verstaan? Ik ga en jij blijft hier, totdat je de waarheid spreekt.’
‘Maar… ik spreek de waarheid.’
‘Dat bepaal ik wel. Ik kom straks weer bij je kijken.’
Moeder loopt de trap op. Ze meent het, ze meent het echt.
Pure angst knijpt mijn keel dicht. ‘Alstublieft, laat me hier niet alleen. Ik lieg niet, dat zweer u.’
Met een klik gaat het licht uit en hoor ik de deur dichtslaan.
Nee!' Ik ren de trap op en gooi mezelf tegen de deur 'Laat me eruit! Alsjeblieft, laat me eruit!'
Het heeft geen zin, ik hoor niets anders dan een oorverdovende stilte.
Trillend draai ik me om. Het donker drukt op me als een zware, verstikkende deken. Ik krijg geen lucht, ik ga… ik moet…
Ik schud mijn hoofd. Angst gaat mij nu niet helpen, ik moet rustig blijven. Nadenken. Iedere vraag heeft meer dan een antwoord, net zoals er meer dan een manier is om hier uit te komen. Dat moet.
Ik loop de trap af terwijl ik met een hand langs de koude muur strijk. Twee, vier, zes, acht stappen vooruit: muur. Tien stappen: weer een muur.
Zo ga ik de hele kelder rond, zoekend naar iets. Een raam die ik open kan duwen, een schakelaar dat ik om kan zetten, een hendel om aan te trekken. Wat dan ook, maar ik vind niks.
Mijn hand glijdt voor de zoveelste keer langs de martelwerktuigen. Vol walging trek ik hem weg. Te snel, ze vallen naar beneden. De kelder vult zich met gekletter en het gejammer van zijn eerdere slachtoffers.
Ik voel hoe mijn knieën het begeven, mijn gil voegt zich bij de anderen. Zij die nooit hebben kunnen ontsnappen. Waarom zou het mij dan wel lukken?
Pats!
Het plotselinge geluid van brekend glas maakt me wakker uit mijn paniekaanval. Licht, ik zie licht. Het is maar een dunne straal, maar ik zie het.
Langzaam loop ik eropaf, bang dat het elk moment kan verdwijnen.
Het licht blijkt afkomstig te zijn uit een klein, rond raam. Ik voel een zacht briesje langs mijn wang strijken en besef dat er een klein gaatje in het raam zit.
Als ik een stap naar voren zet, hoor ik glassplinters kraken onder mijn schoen. Ik kijk naar beneden en zie iets kleins en teers op de grond liggen: een blauwe vogel.
Voorzichtig raap ik hem op, hij doet me aan de vogel uit het lied van mijn vader denken, alleen zal deze vogel nooit meer kunnen vliegen, zijn vleugels zijn nat en stijf.
'Arm kleintje, hoelang zit jij hier al gevangen?'
Met de vogel in de palm van mijn hand, ga ik op mijn zij liggen en sluit mijn ogen. Ik luister naar de wind en stel me voor dat hij de veren van het arme dier weer droog blaast. Ik wens zo hard dat de zon mijn vriend weer tot leven wekt, dat ik hem bijna kan voelen bewegen.
BENG!
Het vredige moment vervliegt, mijn ogen gaan met een schok open.
KABENG!!!
Een vreemde geur drijft de kelder binnen, het ruikt alsof er iets is doorgebrand.
Ik sta op en ga op mijn tenen. Moeder staat over haar auto heen gebogen en vloekt. Het oude wrak lijkt het eindelijk te hebben begeven.
Het volgende moment verscheurt een ander geluid de stilte van het bos: woedend geblaf.
‘Vriend.’
Ik zie hem uit het struikgewas komen en verstijven zodra hij moeder ziet. Hij wordt op de voet gevolgd door zijn baas.
Mijn hart maakt een sprongetje. ‘Vos.’
Hij blijft bij de auto staan, kijkt naar de rook die onder de motorkap vandaan kringelt en opent hem.
De stank die vrijkomt is vreselijk, maar schudt mij ook wakker. Wat ben ik aan het doen?
‘Vos!’ Ik hoest, mijn ogen tranen. ‘Vos!’ Ik voel weer een hoestkriebel opkomen, maar probeer hem te onderdrukken. ‘Vos!’
Hij hoort me niet, hij staat te ver weg. Ik zie hoe hij met moeder praat en Vriend aan een korte lijn houdt.
‘Alsjeblieft! Ik ben…’ Ik hoest opnieuw. ‘Ik ben hier!’
Het heeft geen zin, hij hoort me echt niet. Maar Vriend draait zijn kop en spitst zijn oren. Hij hoort me wel.
‘Vriend, Vriend!’
Ja, hij hoort me: hij trekt aan zijn lijn in een poging om dichterbij te komen, maar Vos trekt hem terug, terwijl hij maar blijft praten.
‘Nee! Ik ben… Ik ben hier. Help me.’
De hoop die ik net nog voelde, verdwijnt als sneeuw voor de zon. Vos doet de motorkap weer dicht, knikt en draait zich om. Hij loopt weg, maar blijft dan staan.
Even hoop ik op een wonder. Heel even hoop ik dat hij terugkomt om mij te redden, net zoals in het papa’s sprookjesboek, maar hij bukt zich, raapt iets op en trekt Vriend met zich mee.
Weg zijn ze, weg is mijn kans.
Hulpeloos zak ik op de grond en staar voor me uit. Het geluid van klikkende hakken komt dichterbij, maar het dringt nauwelijks tot me door.
Pats!
Een regen van scherven daalt op mij neer, maar ik verroer me nog steeds niet. Stille tranen glijden over mijn wangen.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen