Na een tijdje wachten konden Cerice en Kozak aan tafel schuiven en werd er gelachen en gepraat. Kozak had een fles wijn gepakt en het maakte Cerice een stuk vrolijker. Het eten was heerlijk en ze kon niet wachten tot ze de stoverij kon proeven waar Kozak het over had. Om zichzelf te sparen hield ze de gesprekken luchtig. Kozak had haar een beetje verteld over het plaatsje waar ze zich bevond - Nagira - verteld en zij had hem wat verteld over hoe haar dorpje eruit zag.
      "Nagira is een grote handelsstad. De soldaten van de koning passeren hier ook vaak en het is een van de grote steden waar mededelingen worden gedaan door afgezanten van de koning. Zo werd er pasgeleden gemeld dat er een groot feest zou zijn binnenkort. Degene die dit nieuws komt verspreiden eindigt zijn speech altijd met het uitdelen van papieren en het ophangen van grotere affiches, zodat de kleine dorpjes ook op de hoogte zijn." Kozak nam een hap van het vlees. "De kleine dorpjes eens per zeven nachten een loopjongen die de papieren komt halen om zo het nieuws te kunnen verspreiden en als het echt dringend is, stuurt Nagira zelf hun mensen op de dorpjes af. Zo komt het nieuws overal aan en kunnen feesten groots gevierd worden."
      "Dan is jullie koningshuis beter voor het volk. In Astra wordt er bijna nooit iets gevierd, en die enkele keer dat er een feest is, is het in de hoofdstad en komen alleen de nabij gelegen dorpjes en steden. Ik heb nog nooit een volksfeest meegemaakt," bromde Cerice en ze nam een slok wijn. Bijna verslikte ze zich toen ze een te grote slok nam vanwege de lichte ergernis die op kwam zetten na de gedachte aan de Astraanse manier van dingen vieren. Kozak grinnikte toen ze zichzelf probeerde te hervatten. Cerice en Kozak bleven aan tafel zitten, zelfs toen de zon was gezakt. Er werd gelachen en gepraat, maar ze vergaten bovenal hun zorgen.

      De dagen verstreken langzaam na die dag. Na tien dagen niks kunnen doen, begon Cerice zich stierlijk te vervelen. Kozak had haar toestemming gegeven zijn boeken te lezen, maar die had ze ondertussen ook al uit. Van Kozak mocht ze nog niet weg, in verband met haar toestand. Toen de middag veranderde in de avond, begon Cerice plannen te maken om weg te gaan. Ze zou Kozak in de gaten houden en zo mogelijk vertrekken. Ze had genoten van zijn gastvrijheid en gezelschap, maar ze kon zich niet permitteren langer te blijven zonder te kunnen helpen.
      De seconden tikten langzaam weg en beneden bleef het muisstil, wat Cerice als een goed teken zag. Ze sloop de trap af en vond Kozak slapend op de bank aan, met een boek op zijn schoot. Zo stil mogelijk opende Cerice de deur, maar net toen ze buiten wilde stappen, hoorde ze gestommel.
      "Wat ben jij van plan?" bromde Kozak en hij stond op om de deur terug dicht te doen.
      "Ik was van plan weg te gaan. Ik ben je alleen maar tot last nu," zuchtte ze en ze plofte neer op de bank waardoor er een pijnscheut door haar been trok.
      "Zie je, je bent nog niet klaar om hier weg te gaan. Je wond is nog ontstoken, je kan niet weer zo'n eind gaan lopen." Kozak zuchtte geërgerd. "Wat is er überhaupt met dat been van je gebeurd?"
      "Dat is een lang verhaal dat ik beter een andere keer kan vertellen," mompelde Cerice en ze sloeg haar armen over elkaar voor haar borst.
      "We hebben beide niks beters te doen, dus waarom kan je het niet nu vertellen?" Hij keek haar kort aan, indringend genoeg om haar te laten praten.
      "Toen ik in het bos was, heb ik een nacht geslapen bij een meertje. Ik had dat water net voor zonsondergang gevonden, ik had mezelf gewassen en besloot te slapen, omdat er een goed beschermende cirkel van stenen was. Toen werd ik wakker van een scherpe pijn in mijn borst. Wat bleek nou? Er zat een Kofchu op mij en die heeft mij achterna gezeten. Nadat ik dat ding had aangevallen in zijn poot, stak hij zijn klauw in mijn been. Hij leeft nu niet meer, zijn vlees was mijn voedselvoorraad voor mijn reis, maar de wond in mijn been is dus nog steeds niet geheeld."
      "Een Kofchu? In Astra? Dat zijn toch wilde dieren uit Sylican?" vroeg Kozak haar verbaasd.
      "Dat klopt, ja. Ik denk dat de Sylicanen ze hebben meegebracht om de vluchtende Astranen te doden of op te kunnen sporen. Ik mag van geluk spreken dat ik niet ben gebeten, dan was ik er niet meer geweest," lachte Cerice.
      "Dat is dan je geluk geweest, want de meeste mensen overleven een ontmoeting met een Kofchu inderdaad niet, zelfs niet als het beest alleen zijn klauwen gebruikt. Het geeft wel een goede verklaring voor de wond en waarom het zo langzaam heelt. Kofchu's laten met hun klauwen een hoop vuil achter in de wond, waardoor het snel gaat ontsteken. Daarbij zit er een zwak gif vermengd met het vuil, wat je lichaam eerst probeert te bestrijden, voordat het de wond gaat helen. Die beesten zijn zeer gevaarlijk," zei Kozak. "Maar zodra het gif weg is, is de wond ook zo geheeld. Helaas kan het gif anderhalve maan in je bloedbaan blijven circuleren voordat je lichaam het eruit heeft gewerkt. Het gif is al grotendeels uit je bloed gefilterd zo te zien, dus ik denk dat je over een aantal nachten rustig kan beginnen met belastendere dingen."
      "Dat lijkt me wel heel erg fij-" Cerice werd abrupt onderbroken door een hoop lawaai buiten. Er klonk gejuich, gemengd met muziek en gepraat.
      "Dat was vandaag, ja," mompelde Kozak. "Dit is dus dat feest waar ik je laatst over heb verteld. Er komt straks een belangrijke mededeling, maar ik kan je niet mee naar buiten nemen nu. Dat is te riskant. Ik heb wel een mooi raam waardoor we naar buiten kunnen kijken, zo het plein op."
      De twee liepen de trap op en Kozak deed het raam open. Het was een hoge, maar diepe vensterbank waar ze beide met gemak op konden zitten om zo naar buiten te kijken. Cerice wilde aan Kozak vragen waarom hij dit in huis had, maar toen ze hem als een klein kind naar het adembenemende tafereel op het plein zag kijken, liet ze de vraag voor wat het was.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen