Foto bij Leugens & Verraders [1]

Leugens & verraders

Ik voel me net een standbeeld, gevoelloos en koud. Ik kijk door het kleine raam hoe de lucht buiten verandert: van lichtblauw naar donkergrijs. Kleine regendruppels waaien in mijn gezicht, maar nog steeds verroer ik me niet.
Ik luister naar het zachte tikken van de regen op de vochtige bosgrond en probeer vooral niet te denken aan hoelang ik hier al zit.
Dan hoor ik iets anders: het gerinkel van sleutels.
Met een ruk kom ik overeind en negeer het protest van mijn stijve spieren.
De deur gaat open, moeder staat in de opening. ‘’Kom mee.’
Langzaam sta ik op. ‘Meent u dat?’
‘Natuurlijk meen ik dat Of wil je liever hier blijven?’
‘Nee!’
Snel klop ik de scherven van me af en negeer de scherpe pijn die ze veroorzaken. Hoe eerder ik hier weg ben, hoe beter.
Ik heb mijn voet net op de onderste tree van de trap gezet, als ik aan de kleine blauwe vogel denk. Ik wil hem hier niet achterlaten, hij verdient een mooi plekje in het bos.
Ik draai me om en kijk zoekend rond. Daar ligt de gebroken pot, maar de vogel is nergens te bekennen. Waar is hij?
‘Liefje, kom je nog of zal ik de deur maar weer op slot draaien?’
Mijn benen reageren sneller dan dat ik denk. In mijn haast om boven te komen, struikel ik bijna over mijn eigen voeten
Moeder glimlacht. ‘Voorzichtig, poppetje. Ik zou niet willen dat je iets breekt.’
Ik zie de ogen van mijn moeder vrolijk glinsteren en voel een vlaag van argwaan. Er klopt iets niet.
Ik schud die gedachte meteen van me af. Het kan me niks schelen, als ik hier maar wegkom. Nooit, nooit wil ik meer terug naar deze afschuwelijke plek.
Moeder pakt mijn hand en sleurt me mee uit het donker, terug naar het licht.
Tijd om bij te komen heb ik niet, want ze duwt me meteen mijn jas en oude tas in handen.
‘Je gaat stof voor me halen.’
‘Nu meteen?’
‘Ja, nu meteen. Donker, met stiksels, je weet wat ik wil.’
Ik knik en trek mijn jas aan. Hoewel ik uit de kelder ben, kan ik de onrust niet van me af schudden.
‘Liefje?’
‘Ja?’
Moeder kijkt me aan en glimlacht. ‘Loop maar langs de garage, dat is de snelste route, en mocht het harder gaan regenen, kan je gerust ergens schuilen.’ Ze reikt me mijn vertrouwde sjaal aan. ‘Ik zou niet willen dat je ziek wordt.’
Ik knik opnieuw, stomverbaasd. Waar komt dit opeens vandaan?
Ik doe mijn mond open om iets te zeggen, maar krijg de kans niet. Moeder duwt me naar buiten en sluit de deur.
Even blijf ik besluiteloos staan, maar knoop dan de sjaal voor en begin te lopen.
Fragmenten van de afgelopen dagen flitsen door mijn hoofd. Eén woord blijft zich maar herhalen: freak, zo noemde moeder me. Is dat zo? Ben ik anders dan de meeste mensen?
Vos is anders dan ik, dat is een ding wat zeker is. Hij is geen goede klimmer, ik herinner me de angst in zijn ogen toen ik zei dat hij naar beneden moest springen. Hij was bang om iets te breken. Is dat überhaupt mogelijk? Ik heb nog nooit iets gebroken.
En dan zijn er de dingen die moeder van mij vraagt en die ik moet doen, of ik nou wil of niet. Is dat normaal? Zou Vos die dwang herkennen als hij het zou voelen?
Ik weet het niet, ik weet niets meer zeker.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here