Foto bij O15 | Randír

Andúnë klom zelf in de boom en klemde haar benen rond een dikke tak, die dichter bij de grond was dan ze zou wensen.
'Bij Durins baard. Jij moet natuurlijk ook altijd weer de held uithangen', lachte een stem niet zo erg ver van haar. Ze draaide haar hoofd en ontdekte daar Fíli, die overeind werd gehouden door een andere dwerg, die wel wat van hem weg had. Fíli zag bleek, maar grijnsde. Rood bloed droop van zijn hemd af, maar het zwaard had slechts zijn zijde geschampt en de wond was dus niet kritiek. 'Ik kan de hulproep van dames in nood nu eenmaal niet weerstaan.' Andúnë keek hem meesmuilend aan en Fíli grijnsde schalks terug.
'Dit is mijn broer Kíli. Hij is ook een dwerg. Eigenlijk', hij keek omhoog, 'zijn we hier allemaal dwergen. Dertien stuks.' Hij boog zich naar zijn broer toe. 'Wij zijn de eerste dwergen die ze ooit in haar leven heeft gezien.' Kíli grijnsde en knipoogde. 'Schitterend hoe je die warg daarnet afweerde. Ik wist niet dat Elfen zo sterk waren. Mijn oom daar belicht liever jullie negatieve kanten.'
Andúnë vroeg zich af of deze dwergen net een mislukt familie-uitje hadden gemaakt, want tot noch toe bleek iedereen met elkaar verwant te zijn. Ze haalde haar schouders op en viel bijna uit de boom toen er plots een warg naar omhoog sprong en met slechts enkele duimen haar been miste.



‘Kom, snel!’ Fíli reikte zijn hand naar Andúnë, maar Kíli sloeg zijn hand weg.
‘Ben je gek?’ schreeuwde Fíli geschrokken, maar net op dat moment zag Andúnë dat Kíli's ogen gefixeerd waren op een klein, brandend projectiel dat hun kant op kwam.
‘Bukken!’ riep Kili niet veel later. Rakelings suisde de brandende dennenappel langs Andúnë's oor. Van schrik verloor ze bijna haar evenwicht en de warg onder haar grauwde. De dennenappel rolde over de bosgrond en zette deze in lichterlaaie. De wargs bleken het vuur te vrezen, want ze vluchtten weg van het vuur en lieten hun prooien achter. Toch gingen ze niet ver - ze voegden zich bij hun orkmeesters, die alles vanop een afstandje gadesloegen.
'Wat nu?' hoort Andúnë iemand mompelen.
Hij had zich dat beter niet afgevraagd.
De tak waarin Andúnë zat kraakte en schudde. Dan, langzaam, knapten de wortels los. De boom leek te hebben besloten dat hij de Halfelf en de twee dwergen te pakken zou krijgen voordat de wargs dat konden. Met een dreun viel hij ter aarde, zijn takken over de grond schrapend. Door het gewicht helde ook de boom waar de andere dwergen in zaten gevaarlijk naar achteren.

Thorin Oakenshield, de leider van het dwergengezelschap, zag hoe zijn neefjes verpletterd werden onder de takken en hij richtte zijn woede op de leider van de orks, Azog. De jonge koning bedacht grimmig dat hij zoveel jaren terug in plaats van diens arm, beter diens hoofd had afgehakt.
Thorin, verblind door zijn razernij, brulde de naam van de bleke ork.
Maar Azog was niet bang van de dwerg die door de brandende woestenij naar hem toe kwam gestormd. Met een lepe glimlach op zijn gezicht wachtte hij kalm tot Thorin dicht genoeg was. Toen sloeg hij toe. Hij was nog sterk en onvermoeid, in tegenstelling tot zijn tegenstander. Hij speelde met de dwerg, als een voorspel op de dood die hij hem zou geven, want wreedheid lag nu eenmaal in de duistere natuur van orks.

‘Thorin!’ brulde Kíli toen hij zag hoe zijn oom, zijn koning, voor de tweede keer zwaar ten val kwam. Hij duwde de takken van zich af en reikte naar Fíli, die naast hem lag. De blonde dwerg zat echter geklemd tussen een zware tak en hoezeer hij ook worstelde, hij sloeg er niet in om zich te bevrijden. Andúnë drukte de dwerg met een stevige hand tegen de grond.
‘Je moet stil liggen!’ Ze probeerde de boomstam op te tillen, wat tot een tevergeefse poging leidde. Ondanks haar kracht slaagde ze er niet in om een goede grip op de takken te krijgen.
‘We moeten Thorin helpen!’
Andúnë blies haar haren uit haar gezicht en zette zich weer schrap. ‘Als je nog veel tegenspartelt, breek je je eigen benen nog.’
De dwerg, die inzag dat de Elf –want hij dacht dat Andúnë een Elf was, hoewel hij ook vond dat ze de meest onverzorgde Elf was die Midden Aarde ooit heeft bewandeld - gelijk had, besloot om het haar makkelijker te maken, en hij duwde met zijn armen tegen de boomstam.
‘Dit lukt nooit’, kreunde hij. ‘Natuurlijk wel!’ beet Andúnë hem toe, want ze was helemaal niet van plan deze avond het leven te laten. Ook Kíli knielde neer bij de boom en samen duwden ze de tak omhoog, zodat Fíli haastig kon wegrollen.
‘Thorin! Nee!’ Kíli probeerde naar zijn oom te rennen nu zijn broer eindelijk vrij was, maar hij zag dat een ork - niet Azog, want die leek besloten te hebben dat de dwerg zijn aandacht niet waard was - een bijl naar Thorin's onbeschermde nek zwaaide. Het leek alsof de tijd vertraagde. Andúnë kon haar ogen niet van de scène afwenden, maar toch moest ze iets over het oog hebben gezien. Want plots verscheen er een derde persoon, die de ork op de grond gooide en hem met één welgemikte klap doodde.
'Bilbo!' riep Fíli opgelucht. Kíli sprong over de takken heen en kwam zijn oom en Bilbo te hulp, samen met enkele andere dwergen. Ze slaagden er zelfs in om de orks van zich af te slaan, maar Azog bleef zijn mannen aansporen om de dwergen aan te vallen. Andúnë vocht naast Fíli, die slechts weinig last bleek te hebben van zijn verwondingen. Maar toch waren ze aan de verliezende hand. De orks leken overal en onstuitbaar.
Andúnë brak de tak die ze gebruikte als wapen in tweeën en ramde hem door de kop van een ork die te dichtbij kwam. 'Grandioos,' fluisterde een geniepig stemmetje in haar oor. Andúnë verstijfde. 'Ik zei toch dat het een verkwisting was geweest om te sterven,' hoorde ze opnieuw. Ze blokkeerde helemaal en zag niet dat enkele orks gebruik maakten van haar onoplettendheid.
Haar redding kwam uit de hemel. Gigantische adelaars cirkelden laag boven de grond en ze grepen de orks om ze vervolgens van de klif af te gooien.
Dan werd ook Andúnë vastgegrepen door enorme klauwen. Ze riep en schreeuwde wanhopig, dat ze de verkeerde vast hebben, dat ze niet bij de orks hoort. De klauwen lieten haar echter los en ze viel de afgrond in, wetende dat haar laatste uur verstreken was. Dan, plots, veren onder haar vingers. De adelaar had haar niet in de afgrond gegooid, maar op de rug van een soortgenoot. Andúnë kon wel huilen van opluchting. Ze begroef haar gezicht in de zachte veren van zijn nek en fluisterde zacht: ‘Guren glassui.’ De adelaar maakte een zacht, tevreden geluid.

Wanneer de zon de hemel rood kleurde en de donkere resten van de nacht wegjoeg, liet de adelaar Andúnë Gurthang achter op de top van een berg. Bijna alle anderen waren daar al aanwezig en wachtten angstig af of Mithrandir in staat zou zijn om hun leider, Thorin Oakenshield, te genezen.
De Tovenaar, zich maar al te goed bewust van de bezorgdheid die in de dwergen woedde, legde zijn hand over de ogen van de koning, die bijna onmiddellijk diep adem haalde en zijn ogen opende. De Tovenaar kon de voldoening bijna niet van zijn gezicht verbergen toen Thorin naar Bilbo vroeg.
‘Geen zorgen’, zei Gandalf de Grijze kalm, ‘Bilbo is hier.’
Hij week naar achteren, zodat de dwergen met hun eigen ogen konden zien dat hun vriend nog leefde. Zo merkte hij ook het meisje op, dat besluiteloos buiten de cirkel stond.
‘Ken ik jou niet?’ Tot Andúnë’s verbazing leek de Tovenaar haar aanwezigheid helemaal niet vreemd te vinden.
‘Nee’, loog ze staalhard, terwijl ze onverschrokken in de ogen van Mithrandir staart.
‘Waar kom je vandaan, Elf?’ Ze haalde opgelucht adem, aangezien de tovenaar niet eens twijfelde over het feit dat ze een Elf was. Zo was de kans heel wat kleiner dat hij snel haar ware identiteit achterhaalde en haar net zo behandelde als Alfadan dat had gedaan.
‘Ik kom uit de Grijze Havens.’ En deze keer vertelde ze de waarheid. De mondhoeken van de tovenaar wezen omhoog. ‘Dan is het vreemd dat wij nog niet kennisgemaakt hebben. Ik ben Gandalf, Gandalf de Grijze noemen ze mij.’
‘Mijn naam is Kaliriel’, zei ze.
‘Kaliriel’, zei Gandalf zacht en met zijn ogen probeerde hij te bepalen wat een Elfenmeisje zo ver van de Havens deed.

Thorin Oakenshield bekeek de Elf met argusogen en hij besloot bijna onmiddellijk dat er iets niet aan haar klopte, want haar ogen… Hij kon het niet beschrijven. Haar ogen waren verkeerd. Het leek wel alsof ze onheil uit straalden.
‘Wat doet zij hier?’ baste zijn stem gevaarlijk. Gandalf schonk nog niet het minste aandacht aan de dwerg. ‘Ze is de nieuwe aanwinst van ons reisgezelschap.’
‘Zij? Een Elf? Je weet dat ik twijfels had met de Hobbit als inbreker, maar dit?’ Bilbo snakte naar adem en hij probeerde een manier te bedenken om zich zo klein mogelijk te maken, maar het was al te laat. De dwergenkoning had hem onmiddellijk in de gaten en stapte met grote passen naar hem toe. ‘Jij, wat was je eigenlijk wel niet van plan?’

Bilbo hoopte dat hij door de grond kon zakken, maar bewoog in plaats daarvan zijn vinger naar de Ring.
‘Je had jezelf kunnen vermoorden! Heb ik niet gezegd dat je een last was, dat je niet in het wild kan overleven en dat er geen plaats voor jou onder ons is?’ Bilbo schuifelde naar achteren en de hand, die het koele goud van het kleinood bijna aanraakte, viel bevend naar beneden.
Hij was zich maar al te goed bewust van de scherpe blik van Andúnë, die alles onbewogen in ogenschouw nam.
‘Ik ben nog nooit zo fout geweest’, klonk Thorin, met een stem die zo vol was van emotie dat de knieën van de Hobbit al opgelucht begonnen te knikken voordat hij de betekenis van de woorden ontrafeld had.
‘Het spijt me dat ik aan je twijfelde.’ Thorin sloeg zijn armen stevig om de Hobbit heen.
‘Ik heb ook aan mezelf getwijfeld’, mompelde die. 'Ik ben geen held, of krijger. Ik ben zelfs geen inbreker.' Thorin klopte Bilbo lachend op de arm, terwijl de adelaars krijsend wegvlogen.
Hij, Bilbo en de andere dwergen volgden hun vlucht.
‘Kijk! Erebor! De Eenzame Berg!’

Toen Andúnë haar ogen op de horizon richtte, zag ze inderdaad hoe een berg zich uit het vlakke landschap verhief, achter een woud dat enkel het Demsterwold kon zijn. Daar. Dat is de plaats waaruit ik weggevlucht ben om aan de Duisternis te ontsnappen. Maar ze herinnerde zich de stem in haar oor tijdens het gevecht. Ze was er niet in geslaagd om het wezen te ontvluchten, nee. Toen het haar herschapen had, had het een deel van zichzelf in haar opgesloten en dat deel woekerde op haar als een parasiet.
Ze zou erin slagen het uit haar te rukken. Andúnë's blik gleed naar de Tovenaar. Eventueel met zijn hulp. Ze zou niet vallen voor het wenken van de Duisternis.

‘Thuis’, besloot Thorin, die zijn hart voelde opvlammen van hoop en heimwee. Een schuifeling trok zijn aandacht onmiddellijk. Daar stond de Elf nog steeds, iets achter Gandalf, naar wie ze staarde.
‘Ik vertrouw haar niet.’
Gandalf boog zijn hoofd. ‘En dat is je goed recht, als leider van het gezelschap’, mompelde de tovenaar, hoewel hij wist dat hij dat beter niet had kunnen zeggen. Thorin keek de Elf nog even strak aan, terwijl ze onbevreesd terugkeek en het wantrouwige zwart van haar ogen stak scherp af tegen haar witte, ingevallen huid. Uit het niets was ze verschenen, met een horde wargs, orks en Azog op haar hielen. Een Elf.
‘Dan wil ik dat ze vastgebonden wordt.’

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here