Foto bij H.51.

Het laatste stuk van het vorige hoofdstuk:
Maar dan, uit een zijpad, verschijnt een wezen.
Een monster.
Een mutant.
De kop een staart van een stier en een verschrikkelijk gespierd mensenlichaam dat een aantal dierlijke trekjes lijkt te hebben.
Hij draagt een doffe, maar scherpe bijl bij zich.
Toen ik aan de hemel zag dat dit ding een andere tribuut vermoorde, leek hij wel groot, maar niet de 2,5 meter aan verschrikking die hier nu boven mij uittorent.
Klein ben ik niet, maar in vergelijking met dit beest voel ik mij een muisje, een insect.
De ring in zijn neus wiebelt een beetje heen en weer door de ademteugen die zijn neus uit stuiven, wat hem nog angstaanjagender maakt.
Het is een minotaurus.
Ik ben zó zwaar de klos.

Ik zet een paar stapjes achteruit, al helpt dat absoluut niet in deze situatie.
Lieve God, wat miet ik nu doen.
Terwijl ik naar de stoomwolkjes naar zijn neus staar, probeer ik koortsachtig op een idee te komen wat mij misschien een uitkomst zal bieden.
Tyson is in gevaar.
Ik kan niet nú doodgaan.
Hij heeft hulp nodig!
Ik kan de heg in klimmen en zijwaarts naar het einde van het labyrint klimmen, maar hijzelf is al tweeëneenhalve meter hoog en zijn armen zullen nog hoger reiken.
Ik heb het idee dat zodra ik beweeg, hij in actie zal komen.
Maar dan zie ik die ring weer, in zijn neus heen en weer wiebelend.
Op school werd er ooit iets over gezegd, of heb ik het ooit aan mijn moeder gevraagd?
Dan weet ik het weer.
Als een stier agressief werd, kon hij met behulp van die neusring in toom worden gehouden, want zodra hij daaraan trekt of er komt spanning op te staan, dan doet dat zeer.
Misschien - heel, heel, héél misschien - kan ik erlangs als ik die neusring vasthou.
Dan is er een kans dat ik dít overleef, zodat Tyson Jeremy kan overleven.
Ik haal even diep adem en ren op de minotaurus af die ik slechts enkele secondes ken.
Bij de eerste poging al krijg ik de ring te pakken.
Hij schreeuwt en klodders spuug komen op mijn gezicht terecht, in mijn mond.
Het beest trekt zijn hoofd naar achteren en iets naar links, weg van mij.
Als reactie maak ik een trekkende beweging naar mij toe, iets naar rechts, zodat het precies in de tegengestelde richting is.
En dan, in plaats van speeksel, is er bloed.
Het is gescheurd, de hele neus.
De ring is gewoonweg losgescheurd, weg uit waar het eerst zat.
Door het plotselinge meegeven van het voorwerp val ik achterover, de zware, ijzeren ring valt op mijn borstkas, wat ervoor zorgt dat alle lucht uit mijn longen ontsnapt.
Ik krabbel overeind.
Het beest is woedend.
Wat hem eerst van mij weghield, zorgt er nu voor dat hij nu liever dan ooit bij mij wilt komen en met die bijl van hem mijn hoofd van mijn romp scheiden.
Ik maak een sprint.
Hij is groot en sterk, maar lomp en waarschíjnlijk niet zo snel als ik.
Ik weet niet of hij die bijl die hij bij zich draagt kan en\of gaat gooien.
Hij is in ieder geval niet snel genoeg om mij te grijpen wanneer ik langs hem heen sprint, lager bij de grond, zodat zijn armen minder gemakkelijk bij mij kunnen.
Het is maar twee meter, de meest enge twee meter ooit.
Tijdens mijn korte en o zo lange sprint check ik of ik mijn mes nog heb.
Ja, die heb ik nog.
Als ik wil dat Tyson wint, zal ik die nog wel nodig hebben.
De laatste 50 centimeter zet ik mij af en spring de relatieve veiligheid van de cirkel in.
Het grind zorgt ervoor dat enkele schaafwonden de ontblote delen van mijn huid sieren, maar door de adrenaline voel ik de pijn nauwelijks.
Wanneer ik net overeind gekrabbeld ben en ietwat onzeker op mijn benen sta, hoor ik een schreeuw van pijn, afschuw en schrik.
Hoewel ik probeer te hopen dat het Jeremy Vandel is, weet ik dat dat niet waar is.
Maar het mag niet waar zijn.
En wanneer ik kijk weet ik het zeker.
Daar ligt Tyson, op de grond.
Bloedend, schokkend... en met een mes dat uit zijn lijf steekt.

Reacties (2)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen