Foto bij Twintig weken challenge • Week 5 • Bedrukt

Voor het eerst dat ik vanuit het hij-perspectief schrijf. Gewoonlijk schrijf ik vanuit de ik-vorm. Ik ben benieuwd naar jullie mening hierover!

Hij ging op de stoeprand zitten, zijn lange benen in een vreemde positie. De spijkerstof van zijn jeans raakte ondanks de dikte doorweekt. Het had in tijden niet zo hard geregend als vanavond. Inwoners van het kleine stadje hadden discussies gehad of er wel of geen hagel in de regenbui zat. Hij had het kunnen horen, als hij ernaar had geluisterd. In plaats daarvan was hij onmiddellijk naar buiten gelopen toen de storm was weggetrokken. De storm in zijn hoofd woedde echter verder. Hij haalde zijn hand door zijn stugge, donkerbruine haar dat in grove slagen langs zijn gezicht viel. Zijn moeder had hem eerst bevolen om naar de kapper te gaan, maar na de fases van adviseren, smeken en boos worden, had ze het nu laten rusten. Hij was trots op zijn lange haar, omdat het één van het weinige was in zijn leven dat voorspelbaar was. Het groeide gestaag, millimeter voor millimeter. Er zat tenminste vooruitgang in en dat kon hij niet over veel dingen zeggen.

Vanochtend was weer zo’n ochtend geweest. De wereld was kil en kleurloos geweest, toen hij zijn ogen opende. Zijn lijf voelde als dat van een tachtigjarige, althans: dat was hoe hij het zich voorstelde. Als hij tachtig zou zijn, kon zijn omgeving misschien snappen dat hij de moed opgaf, opgebrand door het leven. Nu leek niemand de monsters te begrijpen die zich in hem hadden genesteld, hij het minst van iedereen. Hij zou niets liever willen dan genieten van de jaren waren hij nog zowel een jongen als een jongvolwassene genoemd kon worden. Ooit had hij gedroomd van drummen, maar nooit van optreden voor een mensenmassa. Hij wilde muziek maken, omdat hij het zelf keihard nodig had, niet omdat anderen ervan zouden kunnen genieten. Zelfs het drummen lukte niet meer. Het was alsof zijn handen de kracht niet meer hadden om de drumstokken vast te houden. Hij had de stokken gebroken, uit onmacht en had geschreeuwd toen hij zich realiseerde dat zijn lichaam wel kracht had voor woede, maar niet voor geluk. Hij had alle adviezen van mensen om zich heen opgevolgd: hij was meer gaan bewegen, hij had aan leuke dingen gedacht, hij was gaan schrijven en schilderen, hij had zelfs meditatie geprobeerd. Alles om de monsters uit zijn geest en lichaam te verdrijven. Anderen noemden het een depressie, maar dat dekte voor hem de lading niet. Depressie was leeg en zette druk. Deze monsters legden hem vast en zorgden ervoor dat zijn hoofd bijna ontplofte van de donkere gedachten.

Hij merkte pas dat het opnieuw was gaan regenen toen hij zijn handen niet meer stil kon houden, die hij op zijn bovenbenen had gelegd. Zijn hele lichaam trilde van de kou en ook dit kon hij niet tegenhouden. Het was alsof hij tegenwoordig nergens meer controle over had. Ondanks de regen bleef hij zitten of misschien juist dankzij. Het paste bij zijn stemming, al had hij altijd van de regen gehouden. Hij vond het fascinerend hoe de mensen reageerden op de druppels, hoe groot of klein ze ook waren. Juist miezerregen was zacht en subtiel en toch werden mensen er geïrriteerd van en veranderden ze hun gedrag. Ze gingen niet doen wat ze wilden of namen een paraplu mee om zich te beschermen. Hij zou een paraplu willen om zich te wapenen tegen de monsters die zich in zijn persoon hadden gevestigd. Hij trok zijn benen op en klemde zijn armen eromheen. Hij was een fysiek sterke jongeman geweest, tot de monsters ook zijn eetlust wegnamen.
‘Lieverd, kom je naar binnen?’ Zijn moeder keek op hem neer, met die bezorgde frons op haar voorhoofd die hij liever niet zag, zeker niet als hij er de reden van was.
Hij richtte zijn blik op zijn voeten en schudde zijn hoofd.
‘Oké.’ Ze ging naast hem zitten en sloeg haar arm om hem heen. ‘Dan blijf ik hier bij je.’
Dit was de paraplu die hij nodig had.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here