Zijn vingers waren knokkig, groot – echte werkhanden. Vol vlekjes van de ouderdom bewogen ze met gepaste kalmte.
      “Ik word moe van de politiek,” verzuchtte hij na zijn monoloog over de huidige verkiezingen. Zijn handgebaren deinden op zijn woorden en hij zette ze vervolgens om de leuningen van de houten stoel.
      Het huis was licht en fris, leek in niets op een bejaardenwoning, op de gele tulpen in het raam na. De gordijnen waren lang tot aan de grond, in lichtblauwe bloemetjes, omdat Karen dat zo mooi vond. De bank was voornamelijk comfortabel, maar modern in strak zwart leer. De donzige dekens in beige en wit braken deze donkere kleur en waren geliefd bij de kinderen en kleinkinderen – opa’s huis was perfect om voor de televisie weg te dommelen in de bank.
      Nu was het echter stil in huis. Geen gillende kinderen, geen speelgoed dat klettert, geen koffieapparaat dat pruttelt of gelach van anderen. Enkel wanneer hij praatte werd de kamer gevuld met een warm, maar schor geluid.
      “Dana, ik moet je iets zeggen.” De oude man richtte zich naar de vrouw in de stoel tegenover hem. Zijn gezicht was betrokken, donkere wolken voor zijn ogen geschoven, zijn gedachten niet meer bij de situatie van het moment. Niet door een ziekte, maar door zijn herinneringen.
      Dana wist het al, wist al wat hij ging zeggen. Toch hoopte ze nog van niet, een zeurend, knijpend gevoel in haar binnenste dat heel hard hoopte van niet.
      “Ik heb je uit mijn testament gehaald.”
      Haar vuisten werden strakker, haar nagels boorden zich in haar palmen en voor een moment kneep ze haar ogen dicht. Toen liet ze het gaan, alsof ze een ontspannend middel ingespoten kreeg en haar blik gleed als vanzelf naar een nerf in de tafel.
      “Kijk niet zo bedrukt, je wist het dondersgoed,” zei Richard duidelijk. Zijn stem niet hard, zijn woorden wel.
      “Ik ben je vader, ik heb je opgevoed – en toch heb je hiervoor gekozen. Dat Thom, James en Hanna je niet meer wilden zien, had toch al een teken moeten zijn?”
      De man werd opnieuw boos, emotioneel. Dat zijn eigen kind zó onredelijk kon zijn, zo slécht kon zijn.
      “Godver, Dana,” zei hij boos. Hij stond op en sloeg zijn vuist tegen de tafel. “Ik kan niet meer kletsen, ik wíl niet meer kletsen. Je hebt het vergooid, Dana. Je moet nu gaan.”
      De vrouw stond gewillig op en zei lauwtjes dag, voor ze de woning verliet. Haar verdoofde zee, straalde kalmte uit, maar het enige wat ze voelde was verdriet, met golven van woede: naar haarzelf, afgewisseld door één van zelfmedelijden. Ze schudde haar hoofd, haar hakken weerklonken op de stoep. Haar hand gleed in haar tas, vonden haar Iphone en snel belde ze haar vriend. Haar lange nagels krasten op de achterkant van het toestel.
      “Het was een verschrikking. Heb je iets voor me?” Ze zuchtte en een glimlach drong op haar gezicht zodra ze de bekende stem hoorde.
      “Zowel spul, als een klus, babe. Het komt goed, je hebt mij.”

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here