|| Romijn Lois ||

Ik merkte al snel dat ze hier in het tehuis een gehele andere Trigedasleng spraken. Een lichte taal barrière zou er ontstaan, waarbij ze mij of ik hun soms niet eens precies zou verstaan. Een zucht rolde over mijn lippen, de kibbelende luidruchtige stemmen van mijn mede-bewoners vulde tot diep in mijn trommelvliezen mijn gehoor. Als je het aan mij zou vragen waren ze veel te luid, de vijand als die op het moment zou naderen zouden ze niet eens kunnen horen aankomen, door al dat getetter, gegil en geroep. Onverantwoordelijk, als je het mij vraagt.
De meeste van dit tehuis waren te onverantwoordelijk. Te jong, te kinds, geen soldaten, strijders, vechters.
Ze waren anders, anders dan de grounders, en het bergvolk.
Wisten niet beter, leefde afgelegen, geïsoleerd, met gefronste wenkbrauwen drukte ik mij recht van de zetel waarin ik had gezeten.
Uit het niets voelde ik een gloeiendhete hand rond mijn pols krullen, instinctief trok ik hem zonder pardon los en zond ik de persoon die mij vast gegrepen had een dodelijke blik. Mijn lip trok ik gevaarlijk op en langzaam maakte ik stappen om de ruimte te verlaten waarin ik mij bevond. Een versneld tempo beklom ik de trap, en sloeg ik rechts de gang in richting mijn kamer.
'Miss Lois' was een tropische hesé barse luidde stem. Het liet mij abrupt mijn pas staken, draaide mij op een gracieuze manier op.
Mijn heldere warme ogen zochten naar de ogen van de persoon dat hoog boven mij uit tornde. Na een paar minuten, had ik de man zijn donkere bruine kijkers recht in mijn heldere, alsof ik gehypnotiseerd werd keek ik de man met een gefronste vragende blik aan. 'Sha' kwam er dan ook bot, grof over mijn lippen gerold. De man fronste nu zijn wenkbrauwen op, tot een dikke brede streep. Zijn eerst zo strenge gezicht vervormde langzaam naar boos.
'Zo'n toon slaan wij hier niet aan' was gelijk een bulderende stem te horen.
'Niet' vroeg ik de man zo sarcastisch dat hij begon te bibberen, trillen, zijn neusvleugels leken te gaan trillen, wijder te staan.
'Nee, naar je kamer' snauwde de man.
Nu rees ik mijn wenkbrauwen, als de man mij niet onderbroken had, had ik nu inderdaad in mijn kamer gezeten.
Ik krulde mijn armen over elkaar, schudde mijn hoofd. 'No, ik doe niet wat mij wordt opgedragen, dat is niet aan mij besteed' sprak ik op een beleefde nette toon.
'En als u het niet erg vind, vervolg ik graag mijn weg, zonder onderbrekingen' sprak ik knikkend. Arrogant, wellicht.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen