Maria’s Stoffenwinkel, staat er in krullerige, gouden letters op de deur. Ik druk de klink naar beneden en ga naar binnen.
In de winkel is het een bonte verzameling van stoffen in alle structuren en maten. Ik laat mijn hand langs de rollen gaan terwijl ze rondkeek. Een donkerblauwe stof met gouden stiksels springt direct in het oog. Hij is niet duur, maar ziet er wel zo uit. Perfect.
Als ik bij de toonbank afreken, kijkt de verkoopster mij met een glazige blik aan. Ze ziet me, maar registreert me niet.
Geen mens mag jou opmerken.
Ik glimlach. ‘Dank u wel.’
De vrouw gaat door met haar werkzaamheden zonder op of om te kijken. Ik had net zo goed tegen een muur kunnen praten.
Ik vouw de stof op, stop hem voorzichtig in mijn tas en ga weer terug de regen in.
Nu de barrière naar de garage is opgeheven brengen mijn voeten mij daar automatisch heen.
De werkplaats ziet er donker en verlaten uit, ergens hoopte ik dat Vos buiten had liggen sleutelen, ondanks het slechte weer. Misschien zijn ze al uren dicht, ik heb geen idee hoe laat het is.
Toch blijf ik staan waar ik sta, ik wil gezien worden, maakt niet uit door wie.
Krrrggg!
Het hengsel van mijn tas begeeft het en belandt in een smerige plas samen met de nieuwe stof, die direct onder de vieze smurrie zit.
‘Oh nee…’ Snel hurk ik neer en raap hem op. ‘Moeder vermoordt me.’
Als ik opkijk, trekt mijn blik direct naar een klein huisje aan de rand van het garageterrein. Achter de deur is een warm licht verschenen. Ik zie Vriend, die op zijn achterpoten staat en geluidloos blaft.
De deur gaat open en schim sprint naar buiten. Nog voordat hij het licht van een straatlantaarn heeft bereikt, weet ik wie het is en merk dat ik glimlach.
‘Vos.’
Aan de andere kant van het hek blijft hij staan. Aarzelend, alsof hij niet weet wat hij moet doen.
Opeens realiseer ik me hoe ik eruit moet zien: als een verzopen kat, die na dagen van afwezigheid weer aan de deur komt bedelen.
Vos schraapt zijn keel. ‘Zou je misschien even binnen willen komen?’
Ik glimlach opgelucht. ‘Een plek om te schuilen zou fijn zijn.’
Vos gaat me voor naar het huis, waar Vriend direct enthousiast tegen mij opspringt.
Ik trek mijn jas uit en kijk nieuwsgierig om mij heen. De woonkamer is eenvoudig ingericht met een houtentafel, drie stoelen en een lerenbank. Vooral het vloerkleed lonkt, bezaaid met kleurpotloden, blokken en prentenboeken.
Ik kan het niet laten om eentje op te rapen. ‘Sprookjes. Ik hou van sprookjes, papa las mij die altijd voor.’
Vos bloost. ‘Ik heb op mijn nichtje gepast. Zie hier het resultaat.’ Hij haalt een hand door zijn krullen. ‘Je mag dat ding best af doen, als je dat wilt.’
Het duurt even voordat ik door heb dat hij met ‘dat ding’ mijn sjaal bedoelt, en knoop hem los. Het voelt nog steeds vreemd om te doen. Naakt.
‘Wil je misschien iets eten?’
Die vraag herinnert me aan mijn lege maag. Hoelang is het geleden dat ik iets gegeten heb?
‘Alleen als het geen probleem is.’
‘Natuurlijk niet.’
Ik kijk hoe Vos bijna de woonkamer uit vlucht. Wat heeft hij ineens?
Een plotseling gegrom leidt me af: Vriend heeft mijn tas gevonden en is nu bezig de blauwe stof eruit te sjorren.
‘Niet doen, als je hem sloopt kom ik nooit meer het huis uit.’
Ik trek de stof voorzichtig uit zijn kaken en leg hem voor me op het vloerkleed.
‘Misschien kan ik hem nog schoon krijgen, wat denk jij? Moeder zal het me vragen zodra ik thuis ben, ik kan het haar bijna horen zeggen.’
Liefje, maak dat vod onmiddellijk schoon!
Alleen al de gedachte aan haar stem, laat mijn vingers tintelen. Ik hurk neer en hou mijn handen boven de stof. Vrijwel direct zie ik regendruppels en kleine beetjes modder uit de stof omhoog komen.
‘Krijg nou wat, het lukt!’
Vriend kijkt gefascineerd toe en hapt naar de druppels. Ik lach en geniet van de plotselinge kracht die door mijn aderen stroomt.
‘Jij was het.’
Een vlaag van angst verjaagt de euforie en de modder en regen storten naar beneden.
‘Jij was het,’ Vos loopt langzaam naar me toe, ‘jij hebt ervoor gezorgd dat ik niet uit die boom viel en mijn nek brak.’
Ik open mijn mond, maar er komt geen geluid uit, ik kan alleen maar naar hem staren.
Vos staat voor me en blijft onzeker staan. ‘Ja, toch?’
Ik kijk naar het vloerkleed en begin aan de zachte rode draden te plukken. ‘Ik wilde niet dat moeder een lijk onderaan de boom zou vinden als ze terug was.’
Ik hoor hoe Vos naast me komt zitten. ‘Kan je nog meer van dat soort dingen?’
‘Alleen als moeder het me vraagt.’ De woorden zijn niet meer dan een fluistering.
‘Hoe bedoel je?’
Ik trek aan de draden. Hard. ‘Als moeder wil dat ik kom, brengen mijn benen mij automatisch naar haar toe. Als ze me wil straffen, hoeft ze alleen maar te zeggen dat ik mijn handen in de brandende haard moet steken, en ik doe het.’
Ik waag een blik omhoog. ‘Als ze niet wil dat ik met een vreemde praat, verandert mijn tong in een dode naaktslak en krijg ik geen woord meer mijn strot uit, hoe graag ik dat ook wil.’
Vos blaast hard uit. ‘Heftig.’
Ik knik. ‘Ik ben een marionet en moeder trekt aan mijn touwtjes.’
Vriend komt naar me toe en legt zijn kop op mijn schoot. Zijn trouwe hondenogen kijken mij trouw en bemoedigend aan.
Ik raap al mijn moed bij elkaar en stel de vraag die al dagen op mijn lippen brandt. ‘Heeft jouw moeder je wel eens iets gevraagd wat je wel deed, maar niet wilde doen? Je weet wel, alsof zij jouw touwtjes in handen had?’
Vos kijkt me aan en bijt op zijn lip. ‘Nee, niet zoals jij bedoelt.’
Het voelt alsof iemand mij een trap in mijn maag heeft gegeven. ‘Dus ik ben een freak.’
‘Nee.’ Hij pakt mijn verkrampte hand en trekt het los van het vloerkleed ‘Je hebt mijn leven gered, dat maakt je geen freak, maar een superheld.’
Een superheld, ik? Misschien zijn het de zenuwen, maar ik schiet spontaan in de lach.
‘Ik meen het, zonder jou had ik nu tussen vier planken gelegen. Dankjewel.’
Ik merk dat ik bloos. ‘Geen probleem.’
Een superheld. Ik herinner me een film die papa mij ooit liet zien, over een man met een cape, vliegend door de lucht. Een man die niet van deze wereld kwam.
‘Soms heb ik het gevoel dat ik hier niet thuishoor,’ fluister ik, ‘dan heb ik heimwee naar een plek waarvan ik niet eens zeker weet of die bestaat. Klinkt dat heel gek?’
Het duurt even, maar dan schudt Vos zijn hoofd. ‘Nee, ik ken dat gevoel, toen mijn moeder wegging voelde dit huis ook niet meer als thuis. Nu heeft zij dit dorp verruilt voor de stad en hoewel het daar ook best oké is…’
Hij haalt zijn schouders op. ‘Mam wil dat ik bij haar ga studeren en pap zou het geweldig vinden als ik de zaak van hem overneem, hoewel hij dat nooit hardop zal zeggen. En ik? Ik weet het niet, ik weet niet waar ik thuishoor. Het is misschien niet helemaal wat jij bedoelt, maar wel een beetje.’
Ik glimlach. ‘Ja, wel een beetje.’
Ik kijk naar onze verstrengelde handen en voel een prettige warmte door mijn aderen stromen. Het voelt goed om iemand gevonden te hebben die begrijpt hoe ik me voel, al is het maar een heel klein beetje.

Reacties (1)

  • DeNaamIsGideon

    En nu zijn we aangekomen bij het punt waar je vorige keer opnieuw begonnen bent.

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen