Foto bij 063 - Entering the City

Dan nu gaan ze eindelijk naar de stad!:D

Yarea
Deze avond maakte ik een laatste ritje met mijn wolf. Morgen zouden we al vertrekken. Terwijl ik rustig op de rug van Zenras zat dacht ik aan de stad. De hoofdstad van de lichte kant. Ik was zeer benieuwd hoe die er uit zou zien, maar een beeld kon ik er niet van vormen. Ik was nog nooit in mijn leven in een grote stad geweest, wij waren een rondreizende groep dolende ridders. Dolende ridder komen nooit in steden. Ik ben slechts een paar keer in mijn leven in een dorp geweest, waarvan de meeste keren op deze reis waren geweest. Ik vroeg me af hoe druk het zou zijn. Hoe zouden de huizen er uit zien? Staat er een kasteel? Is het druk in de straten, op de markt? Ik was zeer benieuwd maar ook zenuwachtig. Ik was bang dat er iets mis zou lopen en als dat gebeurde zou het gedaan zijn met ons. Ze zullen ons vast vermoorden als ze weten dat wij het licht willen stelen. Ik slikte een brok zenuwen weg en focuste me op mijn omgeving. Een zacht, fris briesje streek langs mijn gezicht. Mijn rode haren wapperde zachtjes achter mij aan. Ik dacht aan Amras en er verscheen een glimlach op mijn gezicht. Amras was nu mijn broer, met even rood haar als ik.

De volgende ochtend was iedereen bij het krieken van de dag al op, zelfs Amras. Ik voelde lichte zenuwen in mijn buik. Weken lang hadden we ons voornamelijk schuilgehouden, uit angst om gepakt te worden en nu zouden we ons onder de mensen massa's tonen. In de hoofdstad van de Lichte kant nog wel. Zeer gevaarlijk dus, maar ik hoopte dat alles volgens plan ging. Na een snel ontbijt van brood en kaas was het tijd om te vertrekken. Nafal had een kleine rugzak op met wat noodzakelijke dingen als geld en een kaart. Hij had ieder van ons een kaart op zak gegeven, voor het geval we die nodig zouden hebben. Ik had er een tijdje naar zitten kijken, de stad bestond uit vrij veel nauwe, kleine straatjes die kriskras door elkaar liepen. Zeker aan de randen van de stad was het een heus doolhof. De stad had vier hoofdpoorten en nog twee kleinere zijpoorten. Wij gingen bij de dichtstbijzijnde poort naar binnen.
Voor we vertrokken moesten we nog een ding doen. De wolven achterlaten, iets wat me heel zwaar lag. We konden de wolven echt niet vrij rond laten lopen, dat viel te veel op. Er was een te grote kans dat een willekeurig persoon een van onze wolven langs zag komen, en dan zaten we zwaar in de problemen. Volgens Nafal was het gerucht van een jongen met wit haar en twee grote, zwarte wolven het hele land doorgegaan. Zou iemand een van onze wolven zien wist iedereen , inclusief de koning en zijn soldaten, dat wij in de beurt waren. Dat mocht niet gebeuren. Dus was de enige optie om onze geliefde wolven op te sluiten in de schuur. Het deed me pijn, de wolven hoorde niet opgesloten in een hokje te zitten. Ookal was het maar voor een dag.
"Dag Zenras, wel braaf zijn hé?", sprak ik mijn wolf toe. Ik hoorde ook Amras tegen zijn wolf praten.

Enkele minuten laten waren we op pad. Op weg naar de stad. Ik kon aan Amras zien dat hij ook lichtelijk zenuwachtig was. Hij wriemelde wat me zijn handen. Zelf was ik ook zenuwachtig. Bang dat er iets mis liep.
De lucht was bewolk, bijna egaal grijs maar aan de horizon was een streepje blauw. De zon was net opgekomen en scheen nog net door het blauwe stukje lucht heen. Een frisse wind blies lang me heen. Het was een frisse lente dag. Ik hoopte dat de lucht snel opklaarde, en niet ging regenen. Het was een uur lopen naar de stad.
Op een gestaagd tempo liepen we over de valkte. De vlakte die zich voor de stad uitstrekte bestond uit glooiend grasland. Het was kaal, nergens stonden er bomen of huizen. Een zachte, frisse wind blies de dunne grassprietjes richting het oosten. Het was stil. Niemand zei wat. Het enige geluid wat ik hoorden was het ruisen van de wind en het gedempte geluid wat onze voetstappen maakten. Iedereen was gespannen en naarmate we dichter bij de stad kwamen nam die spanning toe. Het voelde zo raar en onnatuurlijk om hier zo te lopen. De laatste maanden hadden we ons alleen maar schuil gehouden, bang om een mens tegen te komen. En nu liepen we plots weer open en zichtbaar door het land.

Hoge stadsmuren gebouwd uit vaal witgrijze stenen doemde voor ons op. Ik was zeer onder de indruk van de groote van de muren. Als dit alleen nog maar de de muren van de stad waren, hoe indrukwekkend was de stad van binnen dan?, vroeg ik me af. Ik was geen steden gewend. Ik was nog nooit in een grote stad geweest. Alleen in doprjes, allemaal tijdens de reis vanaf Tesrac naar hier. Ik was benieuwd wat ik binnen de muren aantrof.
We liepen naar de stadspoort. Mijn hartslag verhoogde. Ik wisselde even een zenuwachtige blik met Amras uit. Ik zag Amras diep ademhalen en toen de poort doorlopen, ik liep achter hem. Dat hele moment bleef ik uiters gespannen. Er gebeurde niets, we konden gewoon binnenlopen. Ik keek even naar het gezicht van een van de wachters. Zijn gezicht stond neutraal, niks bijzonders aan op te merken.
Toen we eenmaal binnenwaren keek ik naar Nafal en Amras. Die beide met een brede grijns de stad in liepen. Het was ons gelukt!
"Ik zei toch dat je haar verven een goede tactiek was." zei ik zachtjes in Amras' oor.
Hij glimlachte. "Ja, ja, ja"
Nu de spanning er af was durfte ik eindelijk rond te kijken. We stonden op een een ruim plein, de grond bedekt met onregelmatige keien. Aan de zijkanten van het plein stonden een aantal kraampjes. Er liepen veel mensen, ze liepen allemaal kris-kras doorelkaar. De mensen gingen allemaal hun eigen weg. Met luid gekletter kwam er een paard langs draven. Achter het paard was een wagen gespannen die akelig hobbelde en kraakte op de onregelmatige keien. Amras' en ik liepen Nafal achterna die een smal zijsteegje insloeg. Ik keek om me heen en observeerde de huizen. Het waren huizen, zo te zien bestaande uit twee of drie verdiepingen. Ze waren gebouwd van stenen, gestukt met beigekleurig klei. Het fundament van de huizen waren grote houten balken, die waren zichtbaar vanaf de buitenkant. De daken liepen schuin af en waren bedekt met stro of bruine en grijze dakpannen. Sommige huizen waren begroeid met planten en bloemen. De drukke stad was iets heel anders dan ik gewend was, het zou me benieuwen wat Nafal ons allemaal ging laten zien. Bovenal was ik benieuwd naar de toren waar het drakenoog opstond.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen