Foto bij 78 Rusteloos

Ik kan niet slapen. Harry’s lichaam is nog aanwezig dicht bij het mijne, maar dat is het dan ook. Mentaal is hij ver weg van hier. Mijn hersenen blijven maar turen naar het moeilijk observeerbare duister en de persoon die daar in ligt. Is hij het waard? Ik ken hem nu net iets meer dan een maand, zou ik daar mijn eventuele toekomst voor op het spel willen zetten? Toegegeven, ik voel me echt goed bij hem, maar de twijfel neemt toe en dan weer af. Ik zou het voor hem willen doen, maar niet nu. Nog niet. De hoofdpijn neemt toe en de lelijke gedachten over mogelijke doemscenario’s vermeerderen zich met de minuut. Geen club die mij als jong talent meer wil aankopen, geen ‘mates’ meer in de ploeg. Gepest worden, uitgesloten, benadeeld door scheidsrechters… Voor ik het besef proef ik de bittere smaak op mijn lippen. Een van de flessen alcohol van mijn lieve vriend die nog in zijn bed ligt, staat nu op het aanrecht. Mijn voeten bevinden zich op de koude vloer, en in mijn hand heb ik een leeg glaasje. De smaak tintelt op mijn tong en doet me verlangen naar meer. De bitterheid maakt me rustig en neemt de grote zorgen weg uit mijn volgelopen hoofd. Alsof iemand eindelijk de stop uit het bad trekt, terwijl de kraan maar water naar beneden laat vallen. Ik heb iemand nodig die de kraan dicht draait, niet een middel om de stop eruit te trekken. Maar het helpt voorlopig wel. Het bad wordt minder vol en stroomt niet meer over, ik kan even rustig ademhalen. Voor ik het besef heb ik meer gedronken dan de bedoeling was en is de fles bijna leeg. Ik reageer er amper op omdat ik niet veel meer voel. Ik ben verdoofd door deze drugs en grijp naar het aanrecht, me duidelijk duizelig voelend. Alles draait, ik probeer de weg naar de bank terug te vinden als ik ineens door mijn benen zak en de stemmen weer hoor. Geen lieve stemmen, nee, ik-. Het is niet meer half donker voor mijn ogen, maar ik zie allerlei kleuren in een andere wereld. Dit is niet echt. Mijn handen tasten bang rond, ik roep zelfs, maar ik voel en hoor niets.
“Jij antwoordde niet. Ik dacht dat- dat je me niet meer wou zien ofzo. Elke keer die ruzies en ik die door het lint ga en-“
“Louis, kalmeer. Jij bent de enige waar ik om geef.” Ik slik en knipper een paar keer met mijn ogen, zei hij dat nu echt? Dat is vreselijk romantisch, vreselijk lief.
“Ik weet niet of dat een positief punt is.” Harry’s groene ogen staren even naar beneden, naar mij waarna hij onzeker op zijn volle lip bijt en me neerzet.
Spartelen, drijven, naar adem happen en met de koude mee terug naar onder getrokken worden.
“Jij hebt me helemaal niets te zeggen, keizer!” Ik hoor hem vloeken en voel meteen een paar armen zich rond me heen slaan. Mijn adem stokt regelrecht in mijn keel bij deze zachte aanraking, maar wat ik niet meer voel is hoe hij me veel te snel over zijn schouder heen gooit en me op die manier terug wandelt. ”Harry, stop ermee!” Ik gebruik mijn vuisten om op zijn rug te slaan. Ondanks wat hij mij heeft aangedaan, wil ik hem geen pijn doen. Hij ziet er al erg genoeg uit, ondanks dat je iemand als Harry nooit lelijk kan noemen. Harry negeert me en wandelt stevig door. Ik zucht en laat hem dan maar doen, als hij het beter weet. Zonder twijfel wandelt Harry recht door de hal naar boven, naar mijn kamer.
“Zorg ervoor dat ik je niet moet opsluiten Louis.” Ik grom naar hem en kruis arrogant mijn armen, wat denkt hij wel.
“Dat doe je sowieso al.”
Ik hoor stemmen van buitenaf en blijf vechten tegen onzichtbare wanden, zet kracht tegen niets, en win dan ook niets.
Schaduwen. Schaduwen die me achtervolgen alsof ze de ziel uit mijn lichaam willen zuigen. Mijn borstkas gaat hevig heen en weer; mijn hart probeert zo veel mogelijk bloed en adrenaline verwerkt te krijgen. Ik moet klaar zijn, klaar om te vechten. Ik wil niet vluchten, maar mijn benen zijn te laf om te stoppen met lopen en de wezens aan te kijken. Het zijn er twee; dezelfde twee vieze kleine vampiermannen als vorige keer. Ze roepen me. Elke keer glijdt mijn naam door me heen als hun stem aan mijn benen plakt en me nog harder doet vechten om te lopen.
'Lou-wieee.' Hij zingt, maar voor mij klinkt het als gekrijs, afschuwelijk gekrijs. Het bos is donker en zwart, niets lijkt vertrouwd groen, al helemaal die verraderlijke boomwortels niet. 'We willen je geen pijn doen. Kom naar ons Lou-wieee.' Ik schud wild mijn hoofd en loop nog harder, mijn arm die een stoot magie naar achter geeft. Ze zijn sneller, ze zijn altijd sneller.
'Pijn niet nee, maar je kracht. We willen je kracht, deel het met ons jongen. Het is een vloek voor jou. Kom Lou-wieee...' Alsof ik een beest ben roepen en spelen ze met me, alsof dit maar een spelletje is voor hun. Het zweet neemt toe, en mijn ademhaling klinkt pieperig als ik me omdraai en blijf staan. Ik wil niet meer weglopen.
En toch kan ik niet anders. Als je door iets groter en sterker dan jezelf verdreven wordt, is het doodgaan of weggaan. Hoe pijnlijk het ook is, ik geef toe en laat de beelden komen. Echt of niet echt, ik kan ze niet verdragen als ik me verzet.
"Je kan niet tegen kietelen?" Harry zegt niets, zijn groene ogen staren me enkel nieuwsgierig aan. Ik vind het echter veel leuker dan dat, een vampier die niet tegen kietelen kan? Geamuseerd beweeg ik terug over het koude stukje huid. De kamer is zwoel en plakkerig van onze liefde, maar Har lijkt niet op te warmen. Als hij een rare beweging maakt lach ik. Harry vloekt wat en rolt zich dan op me om me naar hartenlust te zoenen. Ik lach nog steeds als hij me terug loslaat.
"Zo grappig is het niet." Hij bromt wat ontevreden, het doet me alleen maar breder grijnzen.
"Oh, ik vind dat anders heel grappig. Stoere sterke vampier ben je." Hij draait zich om, zijn hemd plakt alweer tegen zijn smalle taille aan.
"Jij bent Louis, jij vindt alles grappig. " Ik trek een wenkbrauw op en ga overeind zitten. Hij glimlacht echter wel ondeugend.
"Wat ga je doen?"
"Zorgen dat die vreemde mensen uit mijn huis zijn." Ik knik enkel, mij klinkt het als muziek in de oren. Over muziek gesproken...
"Ik verwacht je snel terug." Zijn glimlach wordt breder door mijn woorden terwijl hij zijn krullen uit zijn gezicht haalt.
"Ik doe mijn best."
- "Wat ben je van plan Tomlinson?" Zijn handen glijden charmant langs mijn zij richting mijn achterste. Ik grijns om die woorden, zo'n dingen moet je gewoon niet zeggen tegen iemand als mij, tenzij je het spel volledig wilt spelen uiteraard.
"Oh, heel veel hoor hoogheid." Ik trek een plagende wenkbrauw op en pulk aan het bovenste knoopje van zijn bloes. Zijn handen liggen verwelkomend rond mijn middel, eentje twijfelt nog bij mijn arm, me in toom houdend waarschijnlijk.
"En heb ik daar zin in?" Die ondeugende blik in zijn ogen God, ik kan hem zo van al die dure kledij ontdoen, dan is hij de mooiste.
"Ik kan er voor zorgen dat je meer dan zin hebt." Hij lacht zachtjes en draait zijn hoofd even weg, ontspannen. Terug mijn Har.
- "Ik hou van je." Mijn fluistering doet hem even verstrakken achter me.
"Ik zie je zielsgraag Boo. Ik zal er ook alles aan doen om ons en onze naasten er door te krijgen." Zijn koude lippen verrassen me als hij me via mijn nek naar mijn ruggengraat toe kust. Ik murmel zachtjes tevreden.
"Het lukt ons wel, dat moet." Als God voor liefde is dan heeft hij geen keus dan ons samen te laten zijn. Har zijn duimen strelen bemoedigend langs mijn naakte onderrug en doen me van hem weg deinzen, richting het bed. "Ik kan zo niet slapen." Lichtjes geërgerd draai ik me om. Har ziet er onschuldig maar tegelijkertijd even machtig uit. Toch beangstigt hij me niet, dat doet hij nooit, hoe krachtig en gespierd hij er ook mag uit zien.
"Piekeren helpt niet mijn liefste." Zijn vingers strelen verleidelijk in mijn hals als zijn roze volle lippen zachtjes mijn voorhoofd kussen en ik dichter tegen hem aan kruip.
Hij heeft gelijk.
Ik wil niet langer piekeren. Als ik bij kom, voel ik fysiek dat ik ergens lig, en mentaal voel ik me bekeken. Ik open mijn ogen en frons doordat het licht brandt en dat is nogal fel op welk uur het dan ook mag zijn. Na twaalven in ieder geval. Harry zit zwijgend naast me, ik wend beschaamd mijn blik af.
"Ik koop je wel een nieuwe fles." Hij snuift, een nobele mondhoek gaat sarcastisch de hoogte in. Zijn krullen lijken zo chocoladebruin. Ik wil dat hij me vast houdt, maar zijn gemoedstoestand lijkt daar niet optimaal voor te zijn. Ik kreun als ik recht kom en grijp de bank steviger vast.
"Waarom zelfs? Je kon ook naar mij komen."
"Dat heb ik gedaan." Ik geef hem een korte blik en zet me nog iets rechter, de vlaag van misselijkheid negerend. Ik zit nu in het oog van de storm, het wordt wel beter. "Ik zag ons, en een vreemde kale man." Ik glimlach bij de gedachte aan ons en geef hem een blik. "Ik was echt gelukkig met je." Hij glimlacht en draait zijn hoofd weg; is dat oprecht of verbergt hij zijn gevoelens.
"Ik ook."
"Harry." Ik eis zijn blik op door mezelf dichterbij te schuiven. "dat ben ik nog steeds. Sta jezelf toe om jezelf te zijn." Hij zucht opnieuw, Vechtend met iets wat ik niet kan begrijpen als hij zijn mond niet open gaat doen. "Erger ik je?" De man verplaatst zijn ene arm en stopt met het zenuwachtig doen, om dan weer op een andere manier te beginnen wiebelen. Zijn ogen zoeken de mijne kort op.
"Nee. Ik erger mezelf."
"Stop daar dan mee." Hij lacht onmiddellijk, de vampierkant komt maar boven, maar dat is oké. Want dat is Harry blijkbaar, een vampier. Een hele mooie vampier die ook heel zorgzaam is, maar vooral met zichzelf worstelt. Ik leg mijn hand op zijn linkerarm en zoek zo contact met hem op. "Ik zeg niet dat je van jezelf moet houden, nee, dan heb ik ook niks meer aan je in bed. Gewoon jezelf zijn. Iemand met jouw zelfkennis zou dat moeten kunnen proberen. Of niet proberen, gewoon die pijn lossen." Hij lijkt kort te ontspannen door mijn slechte grap. Ik besluit dan ook op zijn schoot te kruipen en hem te omhelzen, zomaar.
"Louis, ik weet niet of je het weet, maar de alcohol maakt je aanhankelijk." Ik grijns en kus expres zijn hals, heel teder en zachtjes. Vanuit mijn ooghoek zie ik zijn lippen van elkaar wijken, en zijn oogleden sluiten.
"Dat is niet de alcohol." Ik grinnik kort en frutsel wat met zijn uiteenhangende krullen. "Weet je wat je tegen me zei?" Hij opent zijn ogen langzaam zodat er een spleetje groen te zien is en bevochtigt kort zijn volle lippen, op een of andere manier is zijn ontspanning erotisch op te vatten voor mijn gevoelens. "Stop met piekeren." Ik glimlach en leun terug dichter naar zijn oor toe. "En dat was een heel goed advies."
"Mh-" Zijn armen houden me subtiel vast, stiekem genietend van mijn aanrakingen. Teder en liefdevol, om de ontspannen echte Harry te krijgen.
"Is dat waarom ik je Beer noemde? Van brombeer?" Harry begint te lachen en te schokken onder me, ik frons en schud mijn hoofd als hij blijft lachen en me met pretoogjes aankijkt, de tranen staan in zijn ooghoeken. Was dat grappig?
"Oh Louis." Hij grijnst nog even na en veegt kort langs zijn ogen met een hand, die daarna weer rond mijn middel ligt. "Absoluut niet." Hij ademt in en laat zijn hoofd tegen het mijne aanleunen zodat de fluistering net nog wat intenser aanvoelt. "Dat was omdat je me zo mooi en sterk vond. Een prachtig product van de natuur." Ik grinnik en kus teder zijn schouder. Hij ontspant weer onder mijn aanrakingen. Ik geef hem een blik.
"Misschien vind ik dat nog steeds wel, Beer." Hij schudt kort zijn hoofd.
"Noemt je mama je nog altijd Boobear?" Ik glimlach en schud mijn hoofd.
"Zo noemde mijn lievelingsdier om mee te gaan slapen. Ook een Beer." Ik geef hem een veelzeggende blik en glimlach als hij me spontaan en innig kust. Het kusgeluidje dat ontstaat bij het loslaten deert hem weinig.
"Wel, Boo, ben ik zo meer mezelf?"
"Absoluut."
"Dat was snel." Hij grijnst schuin, lui, en staat op om me terug mee te nemen naar de slaapkamer.
"En jij hebt snel andere plannen." Ik klem me goed vast aan dat sterke lichaam en merk hoe hij voorzichtig in bed gaat zitten, me niet bezerend alsof hij denkt aan die miljoenen euro's die ik waard ben.
"Jij hebt geluk dat je morgen pas in de namiddag training hebt." Ik glimlach en ga naast hem liggen in bed, volgens mij is hij mijn kleine inzinking van daarstraks al vergeten.
"Vandaag bedoel je." Ineens voel ik me moe en kan ik daaraan toegeven. Zo in Harry's armen, zonder de zorgen die er eerst wel waren lijkt het veel beter. "Je hebt geluk dat ik snel op pensioen kan gaan, zo kunnen we samen nog reizen ofzo." Harry grinnikt kort en blijft liefjes over mijn rug strelen.
"Dat wou je vroeger ook."
"Dan moeten we het nu echt doen." Harry glimlacht, ik doe dat al de hele tijd, onbewust tevreden van zijn aanwezigheid, en sluit mijn ogen dan.
"Beloofd." Het is een fluistering, maar ik heb het goed gehoord en begrepen.
"Oké."


HOE CUTE

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen