Het geklepper van de brievenbus maakt een abrupt einde aan het vredige moment. Vriend stuift er blaffend vandoor.
‘Ik moet gaan, moeder vraagt zich vast af waar ik blijf.’
Zodra ik me voorover buig om de stof te pakken, trekt een warme tinteling door mijn vingers. Opnieuw komen de regendruppels en stukjes modder uit de stiksels omhoog, zonder dat onzichtbare touwtjes aan mijn lichaam trekken, zonder dat moeder het van me eist. Dit is nieuw.
Ik voel dat Vos zijn blik, hoor Vriend grommend de woonkamer in komen, maar het dringt nauwelijks tot me door. Betoverd kijk ik naar de zwevende aarde en regendruppels en zie hoe ze verdwijnen. Door mij, omdat ik dat wil.
‘Vriend, wat heb je daar? Laat los.’
Langzaam vouw ik de stof op en stop hem in mijn tas, bang dat het warme gevoel weer verdwijnt.
‘Er lijkt iets op te staan,’ hoor ik Vos mompelen, ‘ik wou dat ik beter kon zien wat.’
Het gebeurt in minder dan een seconde: een onzichtbaar touw trekt me overeind en dwingt me mijn arm te strekken. Die plotselinge dwang ken ik, maar de plotseling verzengende pijn is het ergst. Ik kan geen vin meer verroeren, alleen maar kijken naar de heldere vlam die uit het niets in de palm van mijn hand is ontstaan.
Ik zie Vos staren, zijn ogen groot, zijn mond een beetje open. In zijn hand houdt hij een glasscherf, driehoekig, precies zoals…
De waarheid is nog pijnlijker dan de brand in mijn hand.
‘Laat dit stoppen,’ grauw ik.
Vos scheurt zijn blik los van de vlam. ‘Wat?’
‘Jij zorgt dat ik dit doe, laat het stoppen!’
Vos volgt mijn blik en kijkt naar de glasscherf in zijn hand. Zijn blik verandert, zie dezelfde nervositeit als bij het hek. ‘Doof hem maar.’
‘Beveel het me.’
Vos bevochtigt zijn lippen. ‘Ik beveel dat je de vlam dooft.’
Mijn vingers vouwen zich om het vuur en de vlam verdwijnt.
‘Speel jij met mijn moeder onder een hoedje?,’ vraag ik terwijl ik naar mijn vuist blijf kijken.
‘Nee, dat zou ik nooit doen!’
‘Ik heb je gezien.’ Ik kijk Vos recht aan. ‘Toen ik vastzat in de kelder zag ik je met moeder praten. Ik riep, maar je hoorde me niet.’
Maar zijn ogen vertellen iets anders, Vos kijkt van me weg, slikt.
‘Je hoorde me wel?’
Vos knikt, een miniem knikje. ‘Ik mocht niet reageren,’ zegt hij zacht.
‘Van wie niet? Van haar?’
‘Nee! Nee, zij was het niet, het was…’ Vos doet er hakkelend het zwijgen toe. ‘Lily, je moet me geloven, als ik wist dat dat ding dit met jou kon doen, had ik nooit…’
De voordeur gaat open en de garagehouder - Vos zijn vader - komt binnen.
'Getverdemme, wat een snertweer is het buiten.'
Zoals ik al verwachtte, kijkt de garagehouder dwars door mij heen als hij de woonkamer binnenkomt.
Hij lacht. 'Verdient je ouwe heer zelfs geen hallo meer? Wat is er, jongen? Je kijkt alsof je een spook hebt gezien. En ik krijg zelfs geen begroeting van jou, Vriend.'
Vriend kijkt naar mij en laat een zacht piepje horen.
'Het spijt me,' fluister ik en glip langs de garagehouder de gang in.
Ik pak mmijn jas en verlaat geruisloos het huis, alsof ik er nooit geweest ben.

Reacties (1)

  • DeNaamIsGideon

    shit mate
    dit is intenser dan vorige keer.

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen