De eerste nacht op straat sliep ik niet. Ik had de stad nooit bekeken als bezoeker, als een plek voor plezier of iets anders wat in het woordenboek stond als plezier. Maar nu ik de stad niet nodig had om mijn Meesteres te verzorgen voelde ik een openheid, een gevoel dat ik pas veel later als vrijheid zou benoemen. Ik liep op mijn gemak door de straten, ik hoefde me geen zorgen meer te maken of ik zou verdwalen, geen zorgen meer over geld, bezit of tijd. Ik keek hoe een paar katten vochten om een rotte vis, en volgde de verliezer. Ik keek op de oevers van de Tames naar een zonsopgang, en hoorde om mij heen het leven weer op gang komen. Mijn eerste nacht op straat. Het zou er altijd een zijn die ik in mezelf zou koesteren.
De dagen werden weken, de weken werden maanden. Ik waagde me niet meer in de buurt van mijn voormalige woonplek. Ik leefde op, ik at wat ik krijgen kon; weg gegooid eten, proevers, gestolen eten en soms traktaties van een vriendelijke voorbijganger. Het was, zonder dat ik het wist, twee jaar later dat ik voor het eerst in aanraking kwam met Dreuzelautoriteiten. Ik had die ochtend een trui gevonden in het park en die had ik meegenomen. Dat die trui tot een wetsovertreder behoorde kon ik niet weten.
“Waar was u gisternacht?”
“Eh...” Ik groef diep in mijn geheugen, “vanaf het moment dat het donker was ben ik over de London Bridge gelopen, langs de Tower, naar St. Paul’s, daar heb ik een tijd gezeten, samen met drie bekenden van me, toen zijn we met z’n drieën naar Blackfriar’s bridge gegaan om naar het water te kijken, daar hebben we afscheid genomen en ben ik richting Waterloo gelopen, hier heb ik vier katten gevolgd, richting Hyde Park, elk van hen verdween in een huis, dus ben ik verder gelopen naar Hyde Park en daar vond ik de trui waar jullie zo moeilijk over doen...”
“Kent u deze man?” Een foto van een ruw uitziende man met een boos gezicht. Hij kwam me geheel niet bekend voor.
“Nee,” het moest me denken aan een paar jaar terug toen ik nog bij de Meesteres werkte, Black die toen ontsnapt was en de toestand die men er toen van maakte. Uiteindelijk bleek dus dat het allemaal anders in elkaar gestoken had dan voorheen gedacht werd.
“Heeft u rond de klok van vier iets verdacht gezien rondom Hyde park?”
“Eh, toen ik er kwam, was de zon al aan het opkomen...”
“Dat is rond een uur of vier,” de man keek me schamper aan.
“Oh, sorry, ik heb nooit leren klok kijken...” De reden liet ik achterwege.
“Maar?”
“Oh uh, u bedoeld mensen he?” Geknik, “ehm...Nee, tenzij u het verdacht vindt dat iemand rond die tijd naar zijn werk gaat, of zijn scooter wast.”
“Zijn scooter?”
“Ja, die jongen was z’n scooter aan het wassen, hij zei dat iemand er bier overheen had gegoten.”
“Kunt u hem beschrijven?”
“Ehm… dun, bruin haar, kort, ik kon zijn ogen niet goed zien, Oost-Londens accent, zo’n afzakspijkerbroek, ehm een grote trui, gympen… Een blanke huid, normale lengte.”
“Juist… Dat is alles wat u rond die tijd daar gezien heeft?”
“Ja… buiten een aantal straatkatten die vochten en een stel konijnen die buiten het park liepen...”
“Goed, we zijn alleen bang dat u de trui niet terug kan krijgen,” Ja dat kan ik ook wel bedenken, mijn hoofd schoot het sarcasme af.
“Dat begrijp ik,” mompelde ik in plaats daarvan. Een kwartier later stond ik buiten met een nieuwe trui, en een maaltijd waar ik normaal gesproken een dag over deed om te verzamelen.
Hoe kon ik weten dat dit mij in een spiraal zou brengen die me gelukkiger maar ook minder levend zou maken? Ik was geen toekomst voorspeller.

Ik nam plaats op een bankje aan de oever van de Tames, waar ik precies was wist ik niet, dit deel van Londen had ik nog niet eerder bezocht. Tevreden nam ik een hap van een broodje gezond. Ik had niet in de gaten dat een vrouw, of meisje van mijn leeftijd me nieuwsgierig bekeek. Pas toen ze naast me ging zitten merkte ik haar op.
“Hi,” groette ik, mijn handen aan een servet afvegend.
“Hi,” zei ze terug, haar blonde haren waren in een rommelige knot gebonden, haar ogen waren knalblauw. Ik had nog twee bekers drinken, drie broodjes over en zelfs vijf pond.
“Wil je er ook een?” Ik wees uitnodigend op een broodje. Ze knikte en pakte gretig een broodje. Haar afgetrapte gympen, versleten spijkerbroek en jas duiden op een gelijk bestaan aan dat van mij.
“Ik ben trouwens Nayla,” stelde ik mezelf voor.
“Li,” was het antwoord tussen twee happen door.
“Leuke naam,” ik glimlachte, klaar voor een nieuw mens in mijn kenniskring van al wel vier mensen.
“Afkorting voor Liandora,” Li trok een gek gezicht, die was duidelijk niet blij met die naam.
“Enigzins begrijpelijk,” ik grinnikte, blij met mijn eigen naam die kort, uniek en niet afkortbaar was.
“Dankje, voor het broodje,” Li glimlachte naar me. Ik grijnsde en reikte haar een beker aan met koffie, de andere was met chocolademelk. Voor het eerst in mijn hele leven dronk ik dat goedje. Genietend van dit vocht keken we naar de boten voor ons.
“Waar slaap jij?” Vroeg Li na een poosje, haar blik afwendend van een vleesschuit.
“Oh… ik heb niet echt een vast plek… Meestal zover mogelijk van de kroegen vandaan,” je wou ‘s nachts hier niet gevonden worden door een stel lapzwansen, maar ik was ook bang voor dronkaards, al was ik nog het meest bang om er mijn Meesteres tegen te komen.
“Oh… ik wel...” Het klonk wat verrast. Ik keek eveneens verbaasd op. Ik had geen idee dat zwervers vast ‘bankjes’ hadden.
“Oh? Nu ben ik officieel nieuwsgierig,” ik was blij dat ik door de politie mee was genomen en weer vrij gelaten, ik zat ineens in een andere wijk, die ik nu al prettiger vond dan het ‘centrum’.
“Kom maar mee, dan laat ik je het zien,” ik had op straat leren lachen, op straat had ik vriendelijkheid leren kennen, had ik aangenaam eindelijk begrepen. Plezier, ik had misschien een vreemde smaak, maar ik had plezier in de kleine dingetjes; vechtende katten, een eikenblad in de herfst, de ogen van een voorbijganger, het ruisen van de Tames, de eerste regen van de zomer. Li liep naast me terwijl we de oever volgden, de toeristen negeerden we, zij bekeken ons met angst, minachting, woede, medelijden. Maar voor geen galjoen in de wereld wilde ik mijn oude leven terug.
Een ding van het zwerven, je wist waar te zoeken als je wel of geen mensen tegen wou komen, je wist wat te doen als het regende maar vooral wist je ‘gangs’ en hun omgang uit je hoofd. Ik was blij dat het dag was, want dat betekende dat de ‘gangs’ ons niet zoveel konden doen. Zoals in mijn eerste jaar toen een gang me probeerde te verleiden om seks met een van hen te hebben. Of afgelopen kerst een gang me trachtte te kidnappen met drugs, ze hadden er niet op gerekend dat is snel zou zijn. Of zelfs maar iets had wat zij niet begrepen maar ik hekserij noemde, ook al had ik geen toverstok. In een van de vele wijken leidde Li me steeds verder een netwerk van steeds kleinere en desolatere straten in. Bij een smalle, oude straat sloeg ze af. Zes meter boven de grond was een hoge, kleine brug, die voor de mensen erboven niet eens op een brug leek, een vijftal mensen zaten rondom een oud olievat te kaarten. De overduidelijke geur van wiet drong mijn neusgaten in. De vijf mensen, twee jongens van een jaar of twintig, een meisje van ongeveer zestien en een man en vrouw van een jaar of veertig, keken op, zwaaiden en keerden met hun aandacht terug naar het kaartspel. Li gaf de man een klap op de schouder en leidde me verder de doodlopende steeg in, de ‘brug’ zorgde voor een prima dak. Er lagen mensen op de grond, op matjes, in versleten slaapzakken, of zelfs doorgesleten matrassen. Li stelde me aan sommigen voor, geen van hen reageerde bijster wakker. Later zou ik begrijpen waarom. Ik had een nieuwe plek toen de zon de dag vaarwel zei. Ik speelde mee in het kaartspel dat geen regels leek te hebben. Ik negeerde de fles die rondging. Maar nam wel deel aan een groepje dat met pijpen in de weer was. Hoe kon ik nou weten dat het een levensvernietiger was, als ik nooit enig fatsoen had geleerd?

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen