Als verdooft loop ik over straat. Ik voel niets, niet de wind, niet de kou, niet het striemen van de regen, alleen het branden van mijn hand. De pijn dooft veel langzamer dan de vlam heeft gedaan, alsof hij er zeker van wil zijn dat ik me het verraad zal blijven herinneren.
Voor de deur van mijn huis blijf ik staan en sluit mijn ogen, hopend op een klein beetje hulp van de zon, hoe ver weg zij nu ook lijkt.
Maar ik voel alleen de koude regendruppels die over mijn gezicht rollen. De pijn blijft.
Ik haal beverig adem en open de deur. Ik ben bijna blij om de donkere gang in te stappen, het is een donker konijnenhol waarin ik me kan verschuilen, totdat de pijn is verdwenen.
‘Liefje.’
Geschrokken draai ik me om. Zoals moeder voor me staat in haar witte kamerjas, lijkt ze een geest dat al eeuwen in dit oude huis rondwaard.
Ze glimlacht. ‘Heb je de stof gevonden die ik wilde?’
‘Ja, moeder.’
‘Goed zo, meisje.’ Moeder strijkt langs haar hals. ‘Waar is je sjaal?’
Mijn sjaal, onbewust raak ik mijn gezicht aan. Die ligt nog bij Vos.
Moeder kijkt me afwachtend aan en blijft haar hals strelen, bijna alsof daar iets ontbreekt.
Met een schok realiseer ik me wat dat is: ze heeft haar ketting niet om.
‘Waar is de sjaal, Lily?’
‘Ik ben hem verloren in het bos.’ De leugen komt soepel mijn mond uit, alsof ik nooit anders heb gedaan.
Moeder knikt langzaam.
Snel haal ik de stof uit mijn tas en druk hem haar in handen. ‘Mag ik nu gaan?’
Ze ziet de ongemakkelijke manier waarmee ik de stof vasthou. Nog voor ik kan reageren, pakt ze me bij de pols en draait mijn hand om. De huid is niet meer verbrand en rauw, maar nog wel rood en gevoelig.
Moeder glimlacht en streelt met haar duim de tere huid. ‘Ik zei toch dat mensen niet te vertrouwen zijn, liefje? Hier in dit bos hoor jij thuis, bij mij.’
Als ze mij aankijkt en ik haar ogen zie glinsteren, weet ik een ding heel zeker: zij wist dat dit zou gebeuren, geen idee hoe, maar ze wist het.
Ik trek mijn hand terug. ‘Mag ik naar mijn kamer?’
Haar glimlach wordt nog breder. ‘Natuurlijk, liefje. Je zult wel moe zijn na zo’n lange dag.’
Met een hoofd tollend van de vragen, loop ik naar mijn kamer waar ik op de rand van mijn bed ga zitten. Er klopt iets niet, ik heb het gevoel dat ik een essentieel stukje van de puzzel mis, maar geen idee heb waar ik moet zoeken.
Ik ga languit op bed liggen en staar naar het plafond. De geluiden van het bos keren terug, het is gestopt met regenen. De enige druppels die ik nu nog hoor vallen, zijn die aan de dakgoot kleven.
Ik hoor een vogel fluiten, vlakbij mijn raam. Het lijkt wel een lied zonder woorden, een lied dat ik ken.
Ik kom overeind en voel hoe mijn hart drie keer overslaat. Daar, vlak voor mijn raam, zit een kleine blauwe vogel.
Dezelfde kleine blauwe vogel die dood in de kelder hoort te liggen.
Ik spring op, maar nog voor ik bij het raam ben, vliegt hij weg.
‘Nee, wacht!’
Met een bonkend hart kijk ik hem na, niet zeker wetend of mijn ogen mij hebben bedrogen.

Reacties (2)

  • Florets

    K vind t maar een bijzonder verhaal en dat is positief. Ik word helemaal meegesleept in deze vage wereld van Lily, mede door de fijne schrijfstijl die je hebt:)
    Snel verderr

    3 jaar geleden
  • DeNaamIsGideon

    heel snel verdeeeer

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen