Laatste stukje van hoofdstuk 59:

Ik hoor ze gillen van plezier, ze zwemmen in het water. Ik hoor ook voetstappen.
Mano Panal en Evy Moosa, ik herken hun stemmen.
Ze roepen naar de rest die hun hartelijk begroeten.
'Jongens!' roept Mano. 'Volgens mij is het eten gaar!'
En dan gaan ze barbequen, als kanibalen, want wie is het eten?

Ik.

Als een baby,

Gillend,

Krijsend,

Huilend,

Om me heen slaand,

Wazig zicht,

Hongerig,

Angstig,

Veward,

Schreeuwend en eenzaam spring ik overeind, struikel over mijn voeten en rol het water in. Gelijk, als mijn huid in contact komt met mijn kracht, voel ik de rust over me heen stromen. Wat een vreselijke droom. Ik zwem dieper, naar het midden van het meer. Nog steeds sidderend van wat ik had gezien omhels ik mijzelf, nou ja... ik probeer mijn armen stil te houden.
Ik geniet ervan dat ik nog voeten heb, en benen en armen en handen en een hoofd om mee te kunnen denken.
Ik leef nog, ik weet niet meer voor lang. Wacht: dat weet ik wel, ik leef tot ik gewonnen heb.
Ik grijp een plant om niet omhoog te drijven en sluit mijn ogen. Hoeveel mensen zijn er nog? Waarom kan het capitool dat niet gewoon elke avond door de arena schreeuwen: "Kaya Turner, district 12. Mano Panal, district 1." en dat dan van alle leden die dood zijn, dan heb ik gelijk een overzicht in mijn hoofd, hoeveel mensen er nog leven, of dood zijn.
Tijdens de pil waren er nog 14... of zoiets, euh... Brinnif is dood, Roy is dood, en er klonken wel nog wat meer kanonschoten dus er zijn er al minder dan 14.
Ik vind het allemaal maar een beetje lang duren, als ik eerlijk ben...
Dus daarom besluit ik om weg te gaan van het meer. Ik laat water met me mee zweven, tot hoeverre me dat lukt. Ik zoek de overgebleven tributen op, met hun ziekte of kracht en ik vecht voor mijn leven.
Letterlijk.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen