Ik werd wakker van een zacht gedruppel. Ik opende mijn ogen, vreemd genoeg was het nog steeds donker. Ik voelde me vreemd, alsof ik herstellende was van een zware griep.
“Hallo?” Ik probeerde te achterhalen of ik alleen was of niet. Er kwam geen antwoord. Ik bleef liggen, op iets wat ik niet kende, maar prettiger lag dan steen. Ik betaste mijn lijf, ik was mager, mijn heupen staken uit, ik rook mezelf en mijn zwarte haren waren vettig en lang.
Ik viel na een tijdje weer in slaap. De tijd ging voorbij zonder ik er bewust van was. Soms was er eten en drinken, soms ook niet. Maar ik was altijd alleen. Het was er ook altijd donker. Niet dat het er koud of zonder zuurstof was, integendeel. Ik voelde me vreemd genoeg veiliger dan ik me ooit had gevoeld.
Wat op het punt stond te veranderen. Want ik kwam er per stom toeval achter waar ik ongeveer was. Het werd dag, ik wist het doordat ik in de verte een pauw hoorde mauwen. Ik had geen idee hoeveel tijd er voorbij was gegaan. Ik was sterker geworden, mijn gekke dromen en tics waren langzaamaan minder geworden. Hoe wist ik niet, maar ik begon mezelf te trainen, eerst door opnieuw te leren kruipen, lopen, rennen. Alles begon weer van voren af aan. Het eten was eerst soep geweest, en werd nu fruit, brood, eiwitten. Ik zag mijn eten nooit, maar het smaakte goed. Die ochtend nadat de pauw gemauwd had, was ik opnieuw tijdloos geworden maar ik dwong mezelf wakker te blijven totdat het weer anders zou worden, hoe ik het voor elkaar kreeg wist ik niet.
Ik viel in slaap voor het eerst zonder dromen.
Mijn rust werd ruw verstoort toen er boven mijn hoofd geknal klonk, gevolgd door geschreeuw en rennende voetstappen. Een krachtige mannenstem riep iets. Ik kende mijn omgeving beter dan ik Londen had gekend. Ik begaf me naar de deur. Ik snoof en rook andere mensen die dichterbij kwamen. Ik hield me stil.
Opeens dook er een man voor me op en grijnsde, dat gezicht kende ik!
“Norren?” Fluisterde ik nog steeds grijnzend. Zijn mond viel letterlijk open van verbazing.
“N-Nayla?” Ja ik was veranderd van een jonge tiener naar een jonge vrouw. Hij trok zijn toverstok en opende de deur.
“Wat doe je?” Ik had er wel goed.
“Je bevrijden.”
“Oh, ik was een gevangene?”
“Ja, zeiden ze je dat niet?”
“Eh er heeft hier nog nooit iemand tegen me gepraat.”
“Wat?!”
“Ja, ik vond het er wel prima… rustig, vredig, veilig...”
“Ze martelde je niet?”
“Nee,” we waren inmiddels bij een stijle trap aangekomen. Ik keek even bedenkelijk maar begon toen achter mijn verloren broer aan naar boven, naar de knallen toe. Ik was nu op weg naar iets dat ontsnappen heette. Boven was het licht en ik liet mijn ogen wennen Verdwaasd dat ik nog niet blind was geworden keek ik om me heen. Een grote hal, met enorme portretten een de muren. Een gigantische voordeur, aan mijn linkerkant een statige trap naar een bovenverdieping, rechts van me werd nog gevochten. Ik volgde mijn broer naar de gevechten toe, de mannen met zilveren maskers waren in gevecht met een groep mensen die werden terug gedrongen. Onder hen herkende ik mijn Meesteres. Ik keek met grote ogen toe. Mijn blik viel op een plank die was los geraakt van de vloer. Aangezien ik geen toverstok had of mogelijkheid tot mijn magie was dit mijn oplossing. Ik wist dat de mannen met de maskers de vijand waren. Ik viel aan. Sloeg er drie van achteren bewusteloos. De ontsnapping lukte doordat een bleke jongeman met grijze ogen de ramen open gooide en ons zo de vrijheid toe liet, Norren wenkte hem, één seconde leek die te twijfelen maar volgde ons toen. Met de jongeman, die zich aan me voorstelde als Draco, kwamen we met z’n twaalven aan op een boerenweiland. Ik werd bij de hand genomen door Norren en Draco voordat we verdwijnselden. Wat voor mij de eerste keer was, het voelde erg vreemd. Alsof ik een vaatdoek was die door een mangel werd gehaald. Zodra we lande ging ik over mijn nek en zakte ik bewusteloos neer.

Als ik gedacht had dat de donkere kamer van ‘de vijand’ een gevangenis was geweest had ik nog niet gevangen gezeten waar ik nu zat. Ik werd elke dag onderworpen door mensen die zich niet voorstelden. Zij probeerden informatie uit mij los te krijgen van de zogenoemde ‘vijand’. Maar ik wist niks van ze. Ik kon beschrijven hoe de donkere kamer, die zij kerker noemden, eruit zag, hoe het er rook, of het er warm of koud was, ik zeggen waardoor ik wist of het dag of nacht geweest. Maar wie er mij eten bracht, of wie zij überhaupt waren, ik had geen idee.
Dat werd ze na een aantal dagen duidelijk. Maar ik mocht kleine slaapkamer niet uit. Buiten, wat ik nu wel kon zien, veranderde groene bomen in bruin, geel, rood en daarna kaal. Maar hoe dat heette, ik wist niet. Ik keek ernaar vol bewondering. Hoe was het mogelijk dat die bomen hun jaarlijkse cyclus volmaakt voltooiden en zich niet druk maakten over mijn bestaan? Of over de mannen met de zilveren maskers?
Toen de bomen voor de derde kaal werden kreeg bezoek van een man die ik herkende, maar niet kon plaatsen. Hij nam plaats op de enige stoel in de kamer, hij schetste er een tweede in de lucht met een stokje en een riante luie verscheen uit het niets. Ik keek ernaar, maar nam er geen plaats in op zijn verzoek. Ik was een meubel, geen mens.
“Nayla, herinner je je wie ik ben?” Hij bleef zitten op de krakkemikkige stoel. Ik stond nog steeds bij het raam.
“Ik herinner me uw gezicht, maar de naam weet ik niet meer,” antwoordde ik met mijn gezicht naar het raam gekeerd.
“Mijn naam is Albus Dumbledore,” hij klonk alsof het over het weer ging. Ik reageerde niet.
“Weet je waarom je hier bent?” Was zijn tweede vraag. Nu keek ik naar hem.
“Hier als in deze kamer? Nee, geen idee, hier als in hier op aarde, ook geen idee, hier als in dit huis, omdat ze denken dat ik informatie zou hebben van de mensen in dat andere huis, waar ik in de donkere kamer zat.”
“Juist, en die informatie heb je niet?”
“Zoals ik al tegen meerdere mensen heb gezegd; ik heb geen idee hoelang ik er gezeten heb, ik heb er nooit iemand gezien of gesproken,” ik keerde mijn gezicht weer naar het raam.
“Ik geloof je,” die simpele zin deed me hem schamper aankijken.
“Dan ben je de eerste,” of hij mijn taalgebruik op prijs stelde was niet van zijn gezicht af te lezen.
“Heb je ooit gebruik gemaakt van een toverstaf?” Die vraag kwam zo uit het niets dat ik in de lach schoot, schor, kaal en ijl in de bijna lege kamer.
“Toverstaf? Ik heb ze gezien, ik heb mensen en er gebruik van zien maken, maar als ik ook maar een centimeter te dicht erbij in de buurt kwam dan mocht ik erop rekenen een week kamerarrest te hebben, zo niet meer,” ik relateerde ‘de mensen’ op mijn broer en Meesteres. Nu was er wel een emotie te zien; verdriet. Of misschien medelijden, maar die emotie kende ik niet dus ik had geen idee hoe dat eruit zag.
“Juist, ik denk dat je binnenkort hier weg gaat,” die verklaring deed me vol ongeloof snuiven en weer terug keren naar het raam. Dit gesprek sloeg geheel nergens op. Dumbledore verliet de kamer en sloot de deur achter zich, die riante stoel achter latend. Ik had geen idee wat ik met dat gevaarte moest dus stopte ik mijn handen in de mouwen en sleepte het ding naar de enige ongebruikte hoek van de kamer en nam plaats op het gammele bed.
Ik keek hoe de zon wegzakte en rook etensgeuren door het huis, mijn maag knorde. Maar dat holle gevoel, zo wist ik, zo niet verdwijnen als ik er eten in stopte. Dit zat veel dieper. De deur ging weer open, een jongen van mijn leeftijd, met flesgroene ogen en een warrige zwart kapsel kwam binnen met een dienblad met eten.
“Je avondeten,” ik knikte, weg gekropen in de hoek van het bed. Nog een mens, hoeveel waren er hier wel niet? Hij glimlachte, iets wat ik als een gevaarlijke grijns zag, en verliet de kamer weer. Omdat ik het eten te lekker vond ruiken nam ik van alles kleine hapjes, toen ik een kwartier later nog geen verschijnselen van vergiftiging vertoonde at ik nog wat meer. Totdat het allemaal op was. Ik zette het dienblad naast de deur, en ging weer voor het raam staan, kijkend naar de nacht.
Dat ik inmiddels de vierentwintig had bereikt had weinig van doen in mijn leven. Deze kamer merkte ik op, was kleiner dan de donkere. Ik voelde me hier meer opgesloten dan daar, want hier kon ik zien wat ik miste. Rook of hoorde ik het leven doorgaan. Ik verlangde terug naar die onwetendheid. Ik krulde mezelf op het bed, de deken als een tent om me heen slaand. Ik bleef de hele nacht zo zitten, mijn ogen waren het enige dat bewoog. Starend in het duister.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen